ECLI:NL:RBAMS:2017:8843
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift gegrond: onvoldoende bewijs voor opzet valsheid realisatieovereenkomst
Verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij tussen juni en september 2006 betrokken was bij het opmaken van een valse realisatieovereenkomst tussen twee bedrijven, bedoeld om als echt bewijsstuk te dienen. Subsidiair werd medeplichtigheid aan deze valsheid betoogd. Het bezwaarschrift richtte zich tegen deze dagvaarding en stelde dat de feiten geen strafbaar feit opleveren en dat vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank behandelde het bezwaarschrift in raadkamer op 3 oktober 2017, waarbij zowel de officieren van justitie als de raadslieden van verdachte hun standpunten toelichtten. De rechtbank oordeelde dat het bewijs, met name de ambtshandeling 1-AH-014 en de daarbij behorende stukken, onvoldoende aanwijzingen bevat voor opzet op valsheid door verdachte.
Gezien het summiere karakter van de procedure kon de rechtbank slechts marginaal toetsen, maar vond het hoogst onaannemelijk dat de strafrechter het ten laste gelegde bewezen zou verklaren. Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard en verdachte buiten vervolging gesteld. De overige verweren liet de rechtbank onbesproken.
Uitkomst: Het bezwaarschrift wordt gegrond verklaard en verdachte wordt buiten vervolging gesteld wegens onvoldoende bewijs voor opzet.