ECLI:NL:RBAMS:2017:7199

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 oktober 2017
Publicatiedatum
3 oktober 2017
Zaaknummer
AMS 16/5683
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26 Invorderingswet 1990Art. 7 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid bestuursrechter bij beroep tegen besluit uitstel betaling en proceskostenvergoeding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de gemeente Amsterdam betreffende uitstel van betaling van een gecombineerde aanslag. De rechtbank onderzoekt of zij bevoegd is om dit beroep te behandelen, mede gezien het verzoek van eiseres om proceskostenvergoeding.

De rechtbank stelt vast dat het beroep is gericht tegen het besluit van 22 juli 2016, dat een beslissing op een administratief beroep op het uitstelverzoek betreft. Volgens artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is de bestuursrechter niet bevoegd om te oordelen over besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, behalve in enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn.

De rechtbank concludeert dat zij geen kennis mag nemen van het onderliggende geschil en daarmee ook niet bevoegd is om te beslissen over een proceskostenvergoeding. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt terugbetaald.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en keert het griffierecht terug.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 16/5683

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen verweerders uitspraak op het administratief beroep van
22 juli 2017 (de bestreden uitspraak).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Verweerder heeft eiseres een gecombineerde aanslag met biljetnummer [biljetnummer] opgelegd. Tegen deze gecombineerde aanslag heeft eiseres administratief beroep ingesteld.
3. Eiseres heeft verweerder verzocht om uitstel van betaling van de gecombineerde aanslag. Verweerder heeft bij het primaire besluit van 10 mei 2016 eiseres uitstel van betaling verleend voor een bedrag van € 163,85 en het verzoek om uitstel van betaling afgewezen voor zover het de onderdelen betreft waartegen eiseres geen administratief beroep heeft ingesteld. Bij besluit van 22 juli 2016 heeft verweerder eiseres uitstel van betaling verleend voor een bedrag van in totaal € 549,75 en het verzoek om uitstel van betaling afgewezen voor zover het de onderdelen betreft waartegen eiseres geen administratief beroep heeft ingesteld.
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld tegen welk besluit het beroep is gericht. De griffier heeft eiseres bij brief van 12 januari 2017 gevraagd een afschrift van het bestreden besluit in te zenden. Eiseres heeft bij brief van 17 januari 2017 op dit verzoek gereageerd. In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.
5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat tegen een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling administratief beroep kan worden ingesteld. Tegen de beslissing op het administratieve beroep staat geen beroep bij de rechter open.
Verweerder heeft de rechtbank verder bericht dat inmiddels op het administratief beroep tegen de gecombineerde aanslag met biljetnummer [biljetnummer] is beslist.
6. Eiseres heeft in reactie op het verweerschrift, voor zover hier van belang, aangevoerd dat (kort gezegd) door het achterwege blijven van een (beslissing op een) proceskostenvergoeding de bestuursrechter bevoegd is om op het beroep te oordelen. Het gaat niet om de beslissing op het uitstelverzoek, aldus eiseres.
Beoordeling
7. De rechtbank stelt vast dat het beroep is gericht tegen een besluit dat naar aanleiding van een verzoek om uitstel van betaling is genomen. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat eiseres zowel in haar beroepschrift van 31 augustus 2016 als in haar brief van 17 januari 2017 heeft aangegeven dat het beroep is gericht tegen het besluit van 22 juli 2016. Eiseres heeft een afschrift van het besluit van 22 juli 2016 ingezonden. Gesteld noch gebleken is dat het onderhavige beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar op de gecombineerde aanslag met biljetnummer [biljetnummer] .
De rechtbank gaat er vanuit dat het besluit van 22 juli 2016 moet worden aangemerkt als een besluit op het administratief beroep tegen het besluit van 10 mei 2016.
8. Ingevolge artikel 8:5 van Pro de Awb en de daarin genoemde Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan geen beroep worden ingesteld tegen besluiten, genomen op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.
9. Het primaire besluit en de uitspraak op het administratief beroep zijn genomen op grond van artikel 26, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, en de artikelen 7, eerste lid, en 25 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, zulks in overeenstemming met artikel 255, tweede lid, van de Gemeentewet.
10. Dat betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep van eiseres. De omstandigheid dat eiseres van mening is dat zij aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding maakt dit niet anders. Uit de systematiek van de Awb volgt dat de bestuursrechter alleen aan de beoordeling van het verzoek om vergoeding van de proceskostenvergoeding toekomt wanneer de bestuursrechter bevoegd is om kennis te nemen van het onderliggende geschil.
In deze zaak had de bestuursrechter geen kennis mogen nemen van het onderliggende geschil (hier: een besluit dat genomen is op een verzoek om uitstel van betaling). De bestuursrechter is dus ook niet bevoegd om te beslissen over proceskosten. Het eiseres heeft aangevoerd maakt dit niet anders.
11. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep tegen de bestreden uitspraak kennis te nemen.
12. Het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- zal worden teruggestort.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan op 4 oktober 2017 door mr. H.C. Naves, rechter, in aanwezigheid van M.P. Osinga-Sanders, de griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Coll: M.P.O.
D: B