ECLI:NL:RBAMS:2017:4747

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2017
Publicatiedatum
5 juli 2017
Zaaknummer
13/751387-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens vonnis in verstek

De rechtbank Amsterdam behandelde op 22 juni 2017 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Pila. Het EAB betrof de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke vrijheidsstraf van acht maanden die in 2014 in Polen was opgelegd.

De verdachte was niet in persoon verschenen bij de zitting in Polen en was bij verstek veroordeeld. De rechtbank onderzocht of de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), dat de weigering regelt indien het vonnis in verstek is gewezen zonder dat aan de uitzonderingen is voldaan.

De uitvaardigende autoriteit had verklaard dat het vonnis na overlevering onverwijld aan de verdachte zou worden betekend en dat hij geïnformeerd zou worden over zijn rechten op verzet en hoger beroep. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaring niet voldeed aan de strikte eisen van artikel 12 sub d OLW Pro.

Gezien het feit dat de verdachte niet in persoon was verschenen en de uitzonderingen niet van toepassing waren, wees de rechtbank de overlevering af. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de verdachte aan Polen wegens het ontbreken van de vereiste waarborgen bij een verstekvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751387-17
RK nummer: 17/2655
Datum uitspraak: 22 juni 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 april 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 januari 2017 door
the Regional Court in Poznan(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Zwaag,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 juni 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J. Gunning, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van
the District Court in Pilavan
23 juli 2014 (referentie: II K 439/14), waarbij aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 8 maanden is opgelegd. Ook is melding gemaakt van een beslissing van
the District Court in Pilavan 28 mei 2015, waarbij de tenuitvoerlegging van voormelde voorwaardelijke vrijheidsstraf is bevolen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van Pro de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon ‘in persoon’ is gedagvaard, zoals bedoeld in de eerste uitzonderingssituatie vermeld in artikel 12, onder a, van de OLW. Daarbij is in het EAB vermeld dat die dagvaarding ‘in persoon’ is gebeurd
by registered mail.
De officier van justitie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij e-mails van
2 en 17 mei 2017 nadere informatie gevraagd met het oog op de toetsing aan het bepaalde in artikel 12 van Pro de OLW.
Bij brief van 23 mei 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer de volgende informatie verstrekt, kort samengevat:
  • tijdens het vooronderzoek in de strafzaak die heeft geleid tot het in het EAB vermelde vonnis is de opgeëiste persoon gewezen op zijn verplichtingen omtrent de juiste opgave van zijn correspondentieadres;
  • er is tweemaal een afhaalbericht op het door de opgeëiste persoon opgegeven adres achtergelaten betreffende een brief – de rechtbank begrijpt: de dagvaarding – op het postkantoor;
  • de opgeëiste persoon is, zonder tegenbericht, niet verschenen bij de behandeling ter terechtzitting, waarop hij bij verstek is veroordeeld;
  • volgens informatie van de reclasseringsambtenaar is de opgeëiste persoon op de hoogte van zijn veroordeling en de lopende executieprocedure.
De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren waarvoor hij is berecht, dat hij niet op een zitting is geweest, dat hij in 2014 in Nederland was en dat hij niets van de zaak af wist.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande, met de officier van justitie en de raadsman, vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW Pro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in voormelde brief van 23 mei 2017 het volgende verklaard:

In case the respondent is surrendered, a copy of the judgement will be served on him personally, along with the necessary instructions. He can apply for reinstating the deadline for appeal tot the judgement in absentia (within 7 days form the date on which the obstacle ceased) and request re-opening of the proceedings (within a month from the date on which he became aware of the judgement passed in respect of him).
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat deze verklaring niet voldoet aan de eisen van artikel 12 sub d OLW Pro.
Gezien het voorgaande is de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de OLW van toepassing.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de OLW van toepassing, moet de overlevering worden geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 van Pro de OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznan(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juni 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.