Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Klaipėda Regional Court(Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Prejudiciële vragen
Klaipėda Regional Court(Litouwen) en strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, die de opgeëiste persoon nog geheel moet ondergaan.
enforceable judgment of convictionvan het
Klaipėda City District Courtvan 26 augustus 2016. Deze beslissing heeft betrekking op in totaal twee naar het recht van Litouwen strafbare feiten. Onderdeel b) houdt verder het volgende in:
in eerste aanlegheeft geleid.
opnieuwten gronde’ leidt de rechtbank allereerst af dat met de ‘beslissing’ als bedoeld in de aanhef van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ wordt gedoeld op een beslissing die is genomen na een procedure waarin de zaak ten gronde is behandeld.
nieuwbewijsmateriaal wordt toegelaten’ leidt de rechtbank af dat de zaak ten gronde is behandeld als de rechter heeft beoordeeld of het strafbare feit dat aan de betrokkene wordt verweten bewezen is. Met andere woorden: als de rechter de schuld of onschuld van de betrokkene aan dat strafbare feit heeft beoordeeld (hierna: de schuldvraag).
veroordeeldwegens een strafbaar feit.
veroordelingheeft geleid en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).
naast‘hoger beroep’ of een ‘procedure in hoger beroep’ steeds sprake van ‘verzet’ of een ‘verzetprocedure’.
en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen(HvJ EU 26 februari 2013, zaak C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107 (Melloni), punt 43; HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punt 37).
facultatieveweigeringsgrond (HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (Dworzecki), punten 50-51). [1]
in geen gevalrelevant is voor de toetsing aan artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Het komt namelijk voor dat een EAB geen melding van een procedure in hoger beroep maakt, terwijl uit andere gegevens blijkt dat een dergelijke procedure wel heeft plaatsgevonden. Ook komt voor, zoals in de onderhavige zaak, dat wel melding wordt gemaakt van een procedure in hoger beroep, echter zonder vermelding van het voor toetsing aan artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ relevante procesverloop. Zo is de rechtbank recentelijk in een periode van enkele weken geconfronteerd met drie andere EAB’s waarin een vergelijkbaar probleem aan de orde is (en waarvan één EAB – het EAB tegen heer [persoon] – onderwerp van een afzonderlijke prejudiciële verwijzing vormt). Voor de opvatting van de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten zou kunnen pleiten dat, wanneer – naar de mening van deze autoriteiten – vaststaat dat de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure in eerste aanleg volledig in acht zijn genomen, ten aanzien van eventuele verdere procedures erop moet worden vertrouwd dat de uitvaardigende lidstaat de grondrechten van de opgeëiste persoon heeft nageleefd (vgl. HvJ EU 5 april 2016, zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 78).
waarin een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,
3.Verzoek om toepassing van de spoedprocedure
4.Beslissing
waarin een beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden en
die tot een (nieuwe) veroordeling van de betrokkene en/of tot een bekrachtiging van de in eerste aanleg gegeven veroordeling heeft geleid,
terwijl het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling,