ECLI:NL:RBAMS:2017:322

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 januari 2017
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
CV EXPL 16-12724
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling basispremie zorgverzekering na meerderjarigheid, aanvullende verzekering niet stilzwijgend overeengekomen

De zorgverzekeraar IZZ vordert betaling van zowel de basis- als aanvullende premie van een zorgverzekering van de gedaagde, die na het bereiken van de meerderjarigheid stilzwijgend zou zijn overgeschreven op een individuele verzekering.

De rechtbank stelt vast dat de gedaagde vanaf zijn 18e wettelijk verplicht is een basisverzekering af te sluiten en daarvoor premieplichtig is. De basispremie en het eigen risico worden dan ook toegewezen. Voor de aanvullende verzekering geldt dat deze een vrije keuze is van de verzekeringnemer en zonder uitdrukkelijke toestemming niet stilzwijgend kan worden overeengekomen. Omdat de gedaagde hiervoor geen akkoord heeft gegeven, wordt deze vordering afgewezen.

Verder worden buitengerechtelijke kosten toegewezen conform het wettelijke kader, terwijl een eerdere vordering tot vervallen rente wordt afgewezen wegens onjuist berekend hoofdsombedrag. De gedaagde wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente vanaf 3 maart 2016.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter M.V. Ulrici en uitgesproken op 16 januari 2017.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de basispremie en buitengerechtelijke kosten, aanvullende premie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 5010033 CV EXPL 16-12724
vonnis van: 16 januari 2017
fno.: 466

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de naamloze vennootschap IZZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Arnhem,
eiseres,
nader te noemen IZZ,
gemachtigde: Dw. Van Arkel,
tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
nader te noemen [gedaagde] ,
procederende in persoon.

Verder verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 5 september 2016 is bepaald dat IZZ bij akte nadere inlichtingen dient te verschaffen, waarbij tevens van haar wordt verwacht dat zij haar vordering splitst in de premie voor de basisverzekering, de premie voor de aanvullende verzekering en de zorgkosten. Vervolgens is nog het volgende stuk ingediend:
- de akte van IZZ, met producties.
[gedaagde] heeft – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – niet gereageerd.
Daarna is vonnis bepaald op heden.
Gronden van de beslissing
1. De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen in haar tussenvonnis van
5 september 2016.
2. IZZ vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van in totaal
€ 1.938,15, waaronder begrepen een bedrag van € 1.572,57 aan premie, een bedrag van € 80,15 aan vervallen rente en een bedrag van € 285,43 aan buitengerechtelijke kosten.
3. In voornoemd tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde] vanaf zijn 18e jaar bij wet verplicht is een basisverzekering af te sluiten. Dat leidt ertoe dat [gedaagde] premieplichtig is. IZZ heeft [gedaagde] kunnen overschrijven op een individuele basisverzekering en daarvan ook betaling van de premie kunnen vorderen. Deze basispremie is [gedaagde] ook verschuldigd geworden. IZZ heeft in haar laatste akte van 31 oktober 2016 haar premievordering uitgesplitst in de premies van de basisverzekering zijnde een bedrag van € 964,48 en de aanvullende verzekering zijnde een bedrag van € 582,00. [gedaagde] heeft deze uitsplitsing niet inhoudelijk weersproken. De kantonrechter gaat om die reden van de juistheid hiervan uit. Dat betekent dat [gedaagde] een bedrag van € 964,48 aan basispremie aan IZZ is verschuldigd. Ook het door IZZ in rekening gebrachte bedrag aan eigen risico van € 26,09 (farmacie) komt voor toewijzing in aanmerking.
4. IZZ vordert verder betaling van een bedrag van € 582,00 voor aanvullende premie. IZZ erkent dat [gedaagde] niet uitdrukkelijk met de aangeboden aanvullende verzekering akkoord is gegaan, maar dat zij het bestaande pakket heeft omgezet op zijn 18e verjaardag, waaronder dus ook het aanvullende pakket. Volgens IZZ heeft [gedaagde] de verzekering niet gewijzigd en is aldus stilzwijgend akkoord gegaan met de aanvullende verzekering.
Zoals eerder in deze procedure overwogen is een aanvullende zorgverzekering een eigen (vrije) keuze van de verzekeringnemer. Zonder uitdrukkelijk akkoord (toestemming) dan wel aanvraag van de verzekeringnemer kan niet door de verzekeraar een aanvullende verzekering worden overeengekomen. Dat betekent dat dit deel van de vordering niet toewijsbaar is, nu [gedaagde] niet uitdrukkelijk akkoord is gegaan (en evenmin daartoe een aanvraag heeft gedaan) met het sluiten van een aanvullend verzekeringspakket.
5.
[gedaagde] is de betalingsverplichting uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst niet nagekomen. Dat leidt ertoe dat dat [gedaagde] gehouden is de premieachterstand over de periode van juli 2013 tot en met april 2014 van € 964,48 en het eigen risico van € 26,09 alsnog aan IZZ te betalen. De vervallen rente ad € 80,15 is niet toewijsbaar, nu dit is berekend over een onjuist hoofdsombedrag. De lopende rente wordt toegewezen vanaf
3 maart 2016.
5.5.
Het wordt niet redelijk geoordeeld dat er hogere kosten zijn gemaakt dan de kosten die gelet op het totaal van de vordering op grond van het besluit buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn. Het meer gevorderde wordt daarom afgewezen. Wel toewijsbaar is een bedrag van € 179,78, berekend overeenkomstig het vanaf 1 juli 2012 geldende wettelijke berekeningskader van artikel 6:96 BW Pro.
6. Gelet op het vorenoverwogene wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van IZZ. Het salaris gemachtigde wordt in redelijkheid op 2 punten gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:
I veroordeelt [gedaagde] om aan IZZ te betalen:
- € 990,57 als hoofdsom;
- € 179,78 als buitengerechtelijke kosten;
- de wettelijke rente vanaf 3 maart 2016, berekend over het bedrag van
€ 990,57 tot aan de dag der voldoening;
II. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van IZZ.
Tot op deze uitspraak worden de kosten bepaald op de navolgende bedragen:
-griffierecht: € 471,00
-kosten dagvaarding: € 96,05
-salaris gemachtigde: € 200,00
----------------
Totaal: € 767,05;
III. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
IV. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
V. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.V. Ulrici en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.