ECLI:NL:RBAMS:2017:1914

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 maart 2017
Publicatiedatum
28 maart 2017
Zaaknummer
13/650523-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 321 Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak overval en veroordeling verduistering met hogere straf wegens laffe gedraging

De rechtbank Amsterdam sprak verdachte vrij van de ten laste gelegde overval op 10 augustus 2016, omdat de enige link een jeugdige getuige was die verdachte herkende terwijl de daders gezichtsbedekkende kleding droegen. Hierdoor kon niet met redelijke zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de dader was.

Wel werd verdachte veroordeeld voor verduistering van een telefoon op 26 mei 2016, die hij van het slachtoffer had geleend maar zich wederrechtelijk had toegeëigend. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer en een getuige betrouwbaar en vond het bewezen dat verdachte de telefoon had verduisterd.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, waarbij rekening werd gehouden met het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer, het dreigende gedrag en het gebruik van geweld door verdachte. Deze omstandigheden rechtvaardigen een fors hogere straf dan normaal voor verduistering. Verdachte had bovendien een strafblad met eerdere vermogensdelicten. De rechtbank volgde het reclasseringsadvies niet om een voorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank verklaarde het overige ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte daarvan vrij. De tijd in voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht op de opgelegde straf. Het vonnis werd uitgesproken op 28 maart 2017 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van overval en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor verduistering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS
Parketnummer: 13/650523-16
Datum uitspraak: 28 maart 2017
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam Huis van Bewaring] ” te [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2017.
1.2.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. A.J.M. Vreekamp, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A. Bruinsma, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 mei 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte van voornoemde [naam slachtoffer 1] had geleend, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
2.
hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg Noordhollandsch Kanaaldijk, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin
bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader:
- eenmaal of meermalen een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of zijn vriend(en) heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of
- de vrienden van voornoemde [naam slachtoffer 2] in zijn bijzijn eenmaal of meermalen dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Geef me je telefoon", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- voornoemde [naam slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Wat heb jij daar in je zak zitten?" , althans woorden van gelijke aard en/of strekking" en/of
- voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of zijn vrienden dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Niet zeggen tegen de politie", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie en met de verdediging – het onder 2 genoemde feit niet bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De verdenking dat verdachte de dader van de overval was, is slechts gebaseerd op de herkenning door één – jeugdige – getuige, terwijl de daders op het moment van de overval hun gezicht bedekt hadden. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de getuige zich heeft vergist. Naar het oordeel van de rechtbank kan om deze reden niet gezegd worden dat buiten redelijke twijfel is komen vast komen te staan dat verdachte de dader van de ten laste gelegde overval was.
Gelet op voorgaande behoeft de vraag die door de raadsman is opgeworpen, of sprake was van opsporings- dan wel bewijsconfrontatie, geen nadere bespreking.
4.2.
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
op 26 mei 2016 te Amsterdam opzettelijk een telefoon, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , en welk goed verdachte van voornoemde [naam slachtoffer 1] had geleend, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Het bewijs

5.1.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
5.2.
Naar aanleiding van een verweer van de raadsman betreffende feit 1 overweegt de rechtbank dat de aangever en de getuige [naam getuige] er, anders dan verdachte, geen belang bij hebben om niet naar waarheid te verklaren. Zij acht deze verklaringen dan ook betrouwbaar.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een telefoon verduisterd en daarmee het vermogensbelang van het slachtoffer genegeerd en diens vertrouwen beschaamd. De rechtbank tilt zwaar aan de omstandigheden waaronder de verduistering heeft plaatsgevonden. Sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen verdachte en aangever, verdachte was dreigend en hij heeft zich van geweld bediend. Gelet op de tenlastelegging zijn deze omstandigheden niet van belang voor de kwalificatie, maar de rechtbank zal deze als strafverzwarend meewegen. Sprake is van een laffe daad. Blijkens de aangifte was het slachtoffer bang en heeft hij daarom de telefoon te leen gegeven, hoewel hij dit eigenlijk niet wilde. Een en ander rechtvaardigt een straf die fors hoger is dan de straf die normaal gesproken voor verduistering wordt opgelegd. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2017 betreffende verdachte, blijkt bovendien dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld terzake van vermogensdelicten.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van 27 december 2016. Zij ziet echter, gelet op vorenstaande, geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zodat de door de reclassering geadviseerde interventies niet in strafrechtelijk kader kunnen worden opgelegd.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verduistering.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [naam verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
6 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2017.