Eiser, eigenaar van een woning in Amsterdam, kreeg een bestuurlijke boete van €12.000 opgelegd wegens het onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning zonder de vereiste vergunning. De boete was gebaseerd op het feit dat de woning op 26 november 2015 aan toeristen werd verhuurd, wat niet was toegestaan zonder vergunning. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder een onjuiste wettelijke grondslag, strijd met rechtszekerheid, onrechtmatige bevoegdheid van handhavers, en het ontbreken van toestemming tot binnentreden.
De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd op grond van de Huisvestingswet (oud) en de Huisvestingsverordening 2013, ondanks dat de boete na inwerkingtreding van de Huisvestingswet 2014 werd opgelegd. De rechtbank verwierp de bezwaren over de bevoegdheid van handhavers en het binnentreden, aangezien toestemming was gegeven door een aanwezige persoon. Ook werd geoordeeld dat de woning door toeristische verhuur niet beschikbaar was voor duurzame bewoning, waardoor de boete gerechtvaardigd was.
Eiser stelde dat de boete onevenredig was vanwege de omstandigheden, zoals langdurige bouwwerkzaamheden in de buurt die de verhuurbaarheid van de woning belemmerden, en dat hij niet bedrijfsmatig handelde. De rechtbank erkende deze bijzondere omstandigheden en matigde de boete naar €6.000. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van eiser toegekend.