Op 2 juni 2016 werd veroordeelde door de meervoudige strafkamer te Amsterdam veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, met vervangende hechtenis van 40 dagen bij niet-naleving. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand omgezet in een taakstraf van 60 uur met vervangende hechtenis van 30 dagen.
Het Openbaar Ministerie beval op 1 december 2016 de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wegens het niet verrichten van de taakstraf. Veroordeelde diende daarop een bezwaarschrift in, stellende dat hij door psychische problemen, medicatiegebruik en gebrek aan vervoersmiddelen niet in staat was de taakstraf uit te voeren, maar nu gemotiveerd is dit alsnog te doen.
Tijdens de zitting op 24 februari 2017 werd door de advocaat van veroordeelde benadrukt dat detentie zijn zorg en dagbesteding zou verstoren, hetgeen onwenselijk is. De officier van justitie steunde het bezwaarschrift. De rechtbank oordeelde dat ondanks het niet aanvatten van de taakstraf aannemelijk is dat veroordeelde deze alsnog naar behoren zal uitvoeren binnen de gestelde termijn.
Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard, het bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis ongedaan gemaakt en veroordeelde een nieuwe kans geboden om de taakstraf van 140 uur te voltooien binnen twaalf maanden, met een vervangende hechtenis van 70 dagen als sanctie bij niet-naleving.