De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de arrondissementsrechtbank te Włocławek. De zaak kende een complexe procesgang met een eerdere intrekking van een EAB in 2014, waarop de verdediging zich baseerde om niet-ontvankelijkheid te bepleiten.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB, dat betrekking had op een onvoltooide vrijheidsstraf van ruim een jaar. De verdediging voerde aan dat het intrekken van het eerdere EAB gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat verdere tenuitvoerlegging niet zou plaatsvinden, maar de rechtbank verwierp dit verweer wegens gebrek aan schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank beoordeelde ook de strafbaarheid van het feit en stelde vast dat dubbele strafbaarheid was gegeven. Vervolgens woog zij de evenredigheid van de overlevering af, waarbij zij concludeerde dat de belangen van de opgeëiste persoon, waaronder zijn privé- en familieleven, niet zodanig worden geschaad dat overlevering moet worden geweigerd. De rechtbank oordeelde dat de beperking van rechten door overlevering wettelijk is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.
Uiteindelijk besloot de rechtbank dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waardoor de overlevering aan Polen wordt toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.