Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
23 december 2016 tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) van:
Rechtbank Amsterdam
Bij onherroepelijk vonnis van 3 september 2015 werd aan veroordeelde een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd, met een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) verleend per 17 oktober 2016. Na schending van de voorwaarden werd veroordeelde op 28 december 2016 aangehouden en werd de v.i. geschorst. De officier van justitie vorderde op 23 december 2016 de herroeping van de v.i. voor 120 dagen wegens niet-naleving van bijzondere voorwaarden.
Tijdens de zitting van 31 januari 2017 werd veroordeelde gehoord samen met zijn raadsman en een reclasseringsmedewerker als getuige. De getuige gaf aan dat veroordeelde een nieuwe kans verdient, terwijl de officier van justitie aanvankelijk een herroeping van 60 dagen vorderde. De rechtbank schorste de behandeling en hief de schorsing van de v.i. tijdelijk op.
Op 28 februari 2017 verklaarde veroordeelde zich grotendeels aan de voorwaarden te hebben gehouden, maar erkende enkele tekortkomingen. De officier van justitie handhaafde de vordering tot herroeping voor 120 dagen, terwijl de raadsman wees op de verstandelijke beperkingen van veroordeelde en verzocht om afwijzing of subsidiair een kortere duur.
De rechtbank overwoog dat hoewel veroordeelde zich niet volledig aan de voorwaarden hield, rekening moest worden gehouden met zijn beperkingen. De vordering tot herroeping werd daarom gedeeltelijk toegewezen voor 45 dagen, met aftrek van reeds doorgebrachte detentietijd tijdens de schorsing van de v.i.
Uitkomst: De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is gedeeltelijk toegewezen voor 45 dagen met aftrek van reeds doorgebrachte detentietijd.