ECLI:NL:RBAMS:2017:1082

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 februari 2017
Publicatiedatum
24 februari 2017
Zaaknummer
13/410263-08, 16/7221
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 lid 1 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 1 onder c Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 67 lid 1 Wetboek van StrafvorderingArt. 420quart Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen late afname DNA-celmateriaal bij veroordeling witwassen

De veroordeelde, psychiatrisch patiënt en gedwongen opgenomen, werd in 2010 veroordeeld wegens schuldwitwassen met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Pas in 2016 werd celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek, waarop de veroordeelde bezwaar maakte tegen opname in de DNA-databank.

De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaarschrift en concludeerde dat de officier van justitie niet voortvarend had gehandeld door acht respectievelijk zes jaar te wachten met het bevel tot afname van celmateriaal. Tevens werd geoordeeld dat DNA-onderzoek geen rol speelt bij het misdrijf witwassen, waardoor het belang van afname ontbreekt.

Op basis van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden werd het bezwaar gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal terstond te vernietigen. De beslissing werd op 16 februari 2017 in het openbaar uitgesproken door rechter V.V. Essenburg.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de late afname van DNA-celmateriaal wordt gegrond verklaard en het celmateriaal moet terstond worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/410263-08
RK: 16/7221
BESCHIKKING
op het bezwaarschrift
ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden(hierna: de Wet) van:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
wonende op het adres [adres] , [plaats] ,
te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. M. Baadoudi, [adres] , [plaats] ,
verder te noemen: de veroordeelde.

1.Procesgang

Het bezwaarschrift is op 26 oktober 2016 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 2 februari 2017 de raadsman (gemachtigd) en de officier van justitie, mr. F. Heus, in besloten raadkamer gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2.De inhoud van het bezwaarschrift en het standpunt van veroordeelde

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van de veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank. De veroordeling die ten grondslag ligt aan het bevel betrof een eenmalig incident. De veroordeelde is psychiatrisch patiënt en verblijft al vele jaren gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij is al in 2010 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld en pas in 2016 is zijn celmateriaal afgenomen. Het is voor de veroordeelde als psychiatrisch patiënt heel verwarrend dat hij zoveel jaar later nog wordt geconfronteerd met celafname.
De raadsman van veroordeelde heeft in raadkamer ter aanvulling op het bezwaarschrift – kort samengevat – aangevoerd dat de veroordeelde is veroordeeld wegens witwassen omdat hij zijn bankrekening ter beschikking heeft gesteld. Daarbij speelt DNA doorgaans geen rol. De rechtbank Rotterdam heeft op 4 maart 2016 beslist dat een veroordeelde ook een zeker belang heeft bij spoed ten aanzien van de afname van celmateriaal.

3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift, hoewel volgens de wetsgeschiedenis bij de voortvarendheid van de afname van celmateriaal de nadruk wordt gelegd op het belang van de opsporing, in dit geval gegrond dient te worden verklaard. In het onderhavige geval betreft het het ontvangen van geldbedragen, waarbij DNA geen rol speelt.

4.Het oordeel van de rechtbank

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Bij bevel van 29 augustus 2016 heeft de officier van justitie bepaald dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel.
Op 25 oktober 2016 is het celmateriaal van de veroordeelde afgenomen.
Het bezwaarschrift is op 26 oktober 2016 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van Pro de Wet genoemde termijn van veertien dagen. De veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in zijn bezwaar.
Als grondslag van het bevel heeft gediend de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
18 september 2008 en later het arrest van 16 augustus 2010 van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de veroordeelde ter zake van schuldwitwassen, meermalen gepleegd (artikel 420quartr van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van Pro de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van Pro de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv).
De rechtbank stelt vast dat artikel 420quart Sr, waarvoor de veroordeelde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv Pro.
Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto Pro artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat in dit geval de officier van justitie niet voortvarend heeft gehandeld door 8 jaar respectievelijk 6 jaar te wachten alvorens het bevel tot afname van celmateriaal werd gegeven. Ook is de aard van het misdrijf dusdanig dat DNA geen rol speelt bij de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, nu het gaat om een veroordeling wegens witwassen.
Conclusie.
Nu één van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet zich hier voordoet, zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren.

5.Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift
gegronden beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond zal worden vernietigd.
Deze beslissing is op 16 februari 2017 gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. V.V Essenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier.