De opgeëiste persoon is in voorlopige hechtenis gesteld in verband met een overleveringsverzoek van België. De feitelijke overlevering is uitgesteld vanwege lopende strafzaken in Nederland. De rechtbank Amsterdam heeft op 31 juli 2017 de verlenging van de gevangenhouding voor dertig dagen bevolen en tevens de schorsing van deze gevangenhouding bepaald, ingaande op 8 augustus 2017.
De rechtbank oordeelt dat het Kaderbesluit 2002/584/JBZ zich niet verzet tegen voortzetting van de overleveringsdetentie bij uitstel van feitelijke overlevering wegens strafvervolging in de uitvoerende lidstaat. Artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de Overleveringswet biedt de nationale wettelijke grondslag voor verlenging van de gevangenhouding in dergelijke situaties.
De opschorting van de overleveringsdetentie door de aanhouding in de Nederlandse strafzaak is rechtsgeldig, omdat verschillende detentietitels niet gelijktijdig kunnen lopen. De rechtbank stelt voorwaarden aan de schorsing, waaronder het niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging en het opvolgen van oproepingen. De beslissing biedt de officier van justitie ruimte om de schorsing te effectueren.