ECLI:NL:RBAMS:2017:10206

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 december 2017
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
AMS 17/4623
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet inburgeringArt. 2.3 Besluit inburgeringArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8.72 lid 4 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling van inburgeringsplicht voor voormalig asielzoekster met propedeuse Nederlandkunde

Eiseres, een voormalig asielzoekster, verzocht om vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van het propedeutisch examen in de opleiding Nederlandkunde aan de Universiteit van Leiden. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wees dit verzoek af omdat de propedeusebul niet als diploma gold volgens de Wet en het Besluit inburgering.

De rechtbank oordeelde dat eiseres formeel niet onder de vrijstellingsmogelijkheden viel, maar dat deze uitkomst in haar specifieke situatie onredelijk was. Uit de cijferlijst bleek dat zij diverse vakken, grotendeels in het Nederlands, met goed gevolg had afgerond en taalvaardigheden op niveau B1/B2 beheerst, wat hoger is dan het wettelijk vereiste A2-niveau.

De rechtbank wees op de ruimte in het tweede lid van artikel 2.3 van het Besluit inburgering voor nadere vrijstellingen, die nog niet door de minister was ingevuld. De rechtbank paste een anticiperende interpretatie toe en constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Daarom vernietigde zij het besluit, herroept het primaire besluit en stelde eiseres alsnog vrij van de inburgeringsplicht.

Daarnaast werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter Baldinger op 8 december 2017.

Uitkomst: Eiseres wordt vrijgesteld van de inburgeringsplicht en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 17/4623

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres
om vrijstelling van de inburgeringsplicht afgewezen.
Bij besluit van 26 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres
ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en meegedeeld dat binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit, bepaalt dat eiseres wordt vrijgesteld van de inburgeringsplicht en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2.1
Eiseres heeft met goed gevolg het propedeutisch examen in de opleiding Nederlandkunde aan de Universiteit van Leiden afgelegd. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet heeft vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat de overgelegde propedeusebul geen diploma is op grond waarvan eiseres volgens artikel 2.3 van het Besluit inburgering kan worden vrijgesteld.
2.2
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres strikt genomen niet valt onder de vrijstellingsmogelijkheden die de Wet inburgering en het Besluit inburgering bieden (artikel 5 van Pro de Wet inburgering en artikel 2.3, eerste lid, onder b, van het Besluit inburgering).
2.3
De rechtbank is echter van oordeel dat deze uitkomst onder de specifieke omstandigheden van dit concrete geval apert onredelijk is. Uit de cijferlijst bij de overgelegde propedeusebul blijkt dat eiseres de onderdelen schrijven, introduction to Dutch Studies, Dutch painting, lezen, spreken, luisteren, taalanalyse, inleiding in de cultuur en maatschappij van Nederland, geschiedenis van het Nederlands en inleiding in de Nederlandse geschiedenis tot 1800 met goed gevolg heeft afgelegd. Deze vakken zijn in het Nederlands gegeven, op twee vakken na. Uit de cijferlijst blijkt verder dat eiseres de onderdelen luisteren en lezen op het niveau B1/B2 heeft gevolgd en gesproken interactie en gesproken interpunctie en schrijven op het niveau B1. Dit is hoger dan het volgens de Wet inburgering genoemde minimum niveau A2. Ter zitting heeft eiseres er blijk van gegeven zich goed uit te kunnen drukken in het Nederlands. Zij en haar echtgenoot hebben ter zitting ook toegelicht dat eiseres al vele jaren in Nederland woont en volledig thuis is geraakt in de Nederlandse maatschappij en cultuur.
2.4
De rechtbank heeft gezien dat in het tweede lid van artikel 2.3 van het Besluit inburgering bewust ruimte is gehouden voor andersoortige vrijstellingen van het inburgeringsvereiste dan de vrijstellingen die tot op heden in de Wet inburgering en het Besluit inburgering zijn opgenomen en uitgewerkt. In dit tweede lid is immers bepaald dat bij regeling van Onze Minister kan worden voorzien in vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste lid. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat op basis van deze bepaling er vooralsnog geen regeling tot stand is gekomen. Het komt de rechtbank echter voor dat de ruimte die hier bewust is ingebouwd voor nadere vrijstellingen van het inburgeringsvereiste, door de regelgever bedoeld is voor situaties zoals de hier voorliggende casus. Situaties waarin sprake is van inburgering dat blijkt uit een objectief document zoals hier aan de orde, in dit specifieke geval de propedeusebul van de opleiding Nederlandkunde van de Universiteit van Leiden. De rechtbank past hier de anticiperende interpretatiemethode toe.
2.5
Omdat in het bestreden besluit niets is gezegd over het tweede lid van voornoemd artikel en de ruimte die deze bepaling biedt, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het besluit vernietigen. De rechtbank ziet op grond van artikel 8.72 vierde lid, van de Awb, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Zij zal het bezwaar gegrond verklaren, het primaire besluit herroepen en eiseres alsnog vrijstellen van de inburgeringsplicht.
3. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Koning, griffier, op 8 december 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: