Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2017:10203

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2017
Publicatiedatum
24 januari 2018
Zaaknummer
AWB 17-2705
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 12 lid 2 WrbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toevoeging voor aansprakelijkstelling Nederlandse staat voor drone-aanval in Somalië

Eisers, woonachtig in Somalië, stellen slachtoffer te zijn geworden van een drone-aanval uitgevoerd door de Verenigde Staten, waarbij ook onschuldige burgers zijn getroffen. Zij willen de Nederlandse staat aansprakelijk stellen omdat deze metadata heeft gedeeld met de Amerikaanse veiligheidsdienst, die mogelijk is gebruikt bij de aanval.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft hun aanvragen voor toevoeging tot gesubsidieerde rechtsbijstand afgewezen omdat het verzoek prematuur zou zijn en er onvoldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer zou zijn. Eisers betwisten dit en willen een dagvaarding uitbrengen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek niet langer als prematuur kan worden gezien, mede vanwege het CTIVD-rapport en andere bronnen. Ook is er wel degelijk een rechtsbelang in de Nederlandse rechtssfeer. Daarom wordt het beroep van eisers I en II gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen waarbij de toevoeging wordt verleend.

Het beroep van eiser III wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van eiseres wordt afgewezen omdat geen besluit op haar bezwaar is genomen. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers I en II.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen waarbij de toevoeging wordt verleend.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 17/2705

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [eiseres] , eiser I,

[eiser 2], te [eiseres] , eiser II,
[eiser 3], te [eiseres] , eiser III,
[eiseres], te [eiseres] , eiseres,
gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. B. van Straaten),
en
de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M. El Wanni).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 juni 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers I en II om gesubsidieerde rechtsbijstand ten behoeve van een vordering uit onrechtmatige daad tegen de Nederlandse staat, afgewezen.
Bij besluit van 13 maart 2017, verzonden op 15 maart 2017, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser III niet ontvankelijk verklaard en de bezwaren van eisers I en II ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2017.
Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep van eiseres
1. Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb [1] , kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend, dat zij wel bezwaar heeft gemaakt tegen de primaire besluiten, dat verweerder daarop niet heeft besloten in het bestreden besluit en dat zij vervolgens beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat geen sprake is van een jegens eiseres genomen besluit, zal de rechtbank het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het beroep van eiser III
2.1
Volgens eiser III is zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In de wetsgeschiedenis van de Wrb [2] wordt gesteld dat de aanvraag van een toevoeging in feite een tweeledige aanvraag is. De aanvraag bestaat uit de aanvraag tot het verkrijgen van rechtsbijstand en de aanvraag om het verlenen van een vergoeding. Er is dus sprake van een aanvraag met twee daaruit voortvloeiende belangen en derhalve twee belanghebbenden, de rechtzoekende en de rechtsbijstandsverlener in de hoedanigheid van aanvrager van een subsidie.
2.2
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser III niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. Redengevend hiervoor is dat het belang van de rechtsbijstandverlener bij de beslissing op een verzoek om afgifte van een toevoeging een afgeleid belang is. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:652). Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het bezwaar van eiser III niet-ontvankelijk is.
3. De rechtbank verklaart het beroep van eiser III ongegrond.
Ten aanzien van het beroep van eisers I en II
4. Eisers I en II zijn Somalische nomaden die in Somalië woonachtig zijn.
5. Eisers I en II stellen op 26 januari 2014 slachtoffer te zijn geworden van een door de Verenigde Staten uitgevoerde drone-aanval. Bij deze aanval zijn twee dochters (negen en zeven jaar) van eiser II gedood. Zelf liep eiser II ernstig letsel op als gevolg waarvan zijn been moest worden geamputeerd. Eiser I raakte gewond aan zijn hand. Daarnaast is een groot deel van de veestapel van eisers I en II vernietigd tijdens de aanval. Eisers I en II willen de Nederlandse staat aansprakelijk stellen voor de geleden schade als gevolg van onrechtmatig handelen door de Nederlandse staat. De Nederlandse staat heeft namelijk metadata die hij in Somalië heeft verzameld in het kader van anti-piraterij missies, gedeeld met de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA. De Verenigde Staten hebben deze gegevens vervolgens gebruikt bij onder meer de eerdergenoemde drone-aanval die was gericht op terroristen, maar waarvan ook onschuldige burgers slachtoffer zijn geworden. De aanval is daarmee volgens eisers I en II onrechtmatig en de Nederlandse staat heeft met het delen van informatie bijgedragen aan deze onrechtmatige daad.
6.1
Verweerder heeft de aanvragen van eisers I en II bij de primaire besluiten afgewezen, omdat het gaat om een probleem waarvoor eisers geen advocaat nodig hebben. Verder oordeelt verweerder dat het rapport van de Commissie van Toezicht Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CTIVD) van 3 augustus 2016 geen aanleiding vormt om tot een ander inzicht te komen. Uit de conclusie van dit rapport blijkt niet dat de Nederlandse staat bewust gegevens heeft verstrekt ten behoeve van targettingsprocessen en blijkt evenmin dat verstrekte gegevens in specifieke gevallen hebben bijgedragen aan zo’n targettingsproces. De zaak is nog steeds in het stadium van een fishing expedition. Tevens is er onvoldoende binding met de Nederlandse rechtssfeer.
6.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor Bezwaar van 21 februari 2017, de afwijzingen van de aanvragen van eisers I en II gehandhaafd, met dien verstande dat de aanvragen worden afgewezen op de grond van de zelfredzaamheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder daaraan toegevoegd dat bovendien geen sprake is van binding met de Nederlandse rechtssfeer.
7. Eisers I en II voeren aan dat verweerder ten onrechte oordeelt dat het verstrekken van een toevoeging prematuur zou zijn en dat sprake is van een fishing expedition. Eerder heeft verweerder de aanvragen afgewezen als prematuur hangende het onderzoek van de CTIVD. Dat rapport is er inmiddels. Eisers baseren zich niet alleen op het CTIVD-rapport, maar ook op een aantal andere nader aangeduide bronnen. Verweerder laat na te vermelden wat eisers nog meer moeten doen om de onderzoeksfase te ontgroeien. Reeds hierom is er strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Beoordeling rechtbank
8.1
Ter zitting is duidelijk geworden dat het gaat om de afwijzingsgrond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb
.Op grond van dit artikel wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet. Verweerder schaart daar ook onder zaken die nog prematuur zijn. Voor het standpunt dat het verzoek in dit geval prematuur is, baseert verweerder zich op het voornoemde advies van de Commissie voor Bezwaar. Hierin staat onder meer dat de werkzaamheden van de gemachtigden nog steeds betrekking hebben op het vergaren van informatie en het uitvoeren van onderzoek naar de haalbaarheid van het aansprakelijk stellen van de Nederlandse staat voor de drone-aanvallen. Voor dergelijke werkzaamheden is volgens de Commissie voor Bezwaar de inschakeling van een advocaat niet noodzakelijk.
8.2
Eisers I en II bestrijden dat de aansprakelijkstelling van de Nederlandse staat zich nog in de onderzoeksfase bevindt. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat eisers I en II een dagvaarding willen uitbrengen. Er is twee keer eerder, in 2015 en in 2016, namens eisers I en II om een toevoeging gevraagd, maar die verzoeken zijn afgewezen. De tweede aanvraag is afgewezen in afwachting van het rapport van de CTIVD. Dat rapport is er inmiddels. Eisers I en II baseren zich niet alleen op dit rapport, maar ook op diverse andere nader aangeduide bronnen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet hierop, verweerder niet langer kan volhouden dat slechts sprake is van een fishing expedition en het verzoek om een toevoeging prematuur is. Voor het uitbrengen van een dagvaarding is het hebben van een advocaat immers een vereiste.
8.3
Voor zover verweerder nog mocht menen dat geen sprake is van een rechtsbelang dat gelegen is in de Nederlandse rechtssfeer overweegt de rechtbank als volgt. Nu eisers I en II voornemens zijn de Nederlandse staat daadwerkelijk aansprakelijk te stellen, kan niet meer worden volgehouden dat geen sprake is van een rechtsbelang dat niet is gelegen in de Nederlandse rechtssfeer, zoals de Commissie voor Bezwaar in haar eerdergenoemde advies ook heeft opgemerkt. Daaraan doet niet af dat mogelijk ook een andere staat aansprakelijk kan worden gesteld.
8.4
De rechtbank verklaart het beroep van eisers I en II gegrond.
8.5
Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.
9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. In het kader van finale geschilbeslechting draagt de rechtbank verweerder op een nieuw besluit te nemen dat er toe strekt dat de gevraagde toevoeging wordt verleend. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers I en II gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers I en II het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
ten aanzien van het beroep van eiseres,
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk,
ten aanzien van het beroep van eiser III,
- verklaart het beroep ongegrond;
ten aanzien van het beroep van eisers I en II,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- (zegge: zesenveertig euro) aan eisers I en II te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers I en II tot een bedrag van € 990,- (zegge: negenhonderdnegentig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Koning, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 november 2017.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Wet op de rechtsbijstand