Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
de stichting Stichting Pensioenfonds van de Metalektro (PME)
- conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie van 22 januari 2016 met producties;
- instructievonnis van 5 februari 2016 waarin is bepaald dat in de zaak schriftelijk wordt voort geproduceerd;
- conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 10 juni 2016 met producties;
- conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek in reconventie met eiswijziging van 5 augustus 2016;
- conclusie van dupliek in reconventie van 21 oktober 2016;
- bepaling van het vonnis op vandaag.
Het geschil in conventie en in reconventie
in conventiegevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventiegevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser 2] veroordeelt om aan PME te betalen een bedrag van € 32.944,54 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf iedere uitbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, althans vanaf de dag van eis in reconventie, met veroordeling van [eiser 2] in de proceskosten.
De beoordeling
uitkeringverboden is. Het gaat om pensioen
aansprakenof pensioen
rechten. Deze begrippen kunnen niet worden gelijkgesteld met de pensioenuitkering. Volgens eisers moeten de pensioengelden volgens de waarborggedachte zoals genoemd in de Memorie van Toelichting hun pensioenbestemming behouden in de aanlooproute naar daadwerkelijke pensionering en uitbetaling. Hierbij gaat het om de opbouwfase, en gedurende die periode, zo begrijpt de kantonrechter, is volgens eisers het verbod van vervreemding van toepassing. Echter wanneer de pensioenaanspraken daadwerkelijk tot uitkering komen en de opbouwfase ten einde is gekomen, staat het de uitkeringsgerechtigde vrij, zo stellen eisers, om zelf te bepalen wat met de ontvangen uitkering wordt gedaan. De uitkeringsgerechtigde bezit het eigendom op de uitkering op pensioen. Voor het doortrekken van een verbod op verpanding naar de daadwerkelijke uitkering bestaat geen rechtvaardiging en het houdt een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser 1] in. Als al sprake zou zijn van een wettelijke grondslag in artikel 64 Pw Pro dan is in de wetshistorie het algemeen belang niet toegelicht en onderbouwd, aldus nog steeds eisers.
enig rechtop pensioenaanspraken of pensioenrechten nietig is. Dit betekent volgens PME dat ook de vervreemding van de met pensioenaanspraken en pensioenrechten samenhangende rechten, zoals het recht op uitbetaling, nietig is. Daarbij heeft PME verwezen naar de definities van pensioenaanspraak en pensioenrecht in de Pensioenwet. Ingevolge artikel 1 Pw Pro is een pensioenaanspraak het recht op een
nog niet ingegaan pensioen. Ingevolge artikel 1 Pw Pro is een pensioenrecht het recht op een
ingegaan pensioen.
uitkeringen uit hoofde van een pensioenrecht(dit is de pensioenuitkering waarop eisers doelen) als uitzondering op de hoofdregel van het eerste lid zinledig zijn. Eerst nadat de pensioenuitkering aan [eiser 1] is betaald staat het hem vrij deze te besteden zoals hem dat goed dunkt en indien en voor zover hierop geen beslag rust.