ECLI:NL:RBAMS:2016:8669

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2016
Publicatiedatum
22 december 2016
Zaaknummer
AWB 16/7904 en 16/7905
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 24 lid 4 Wrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor extra uren rechtsbijstand in strafzaak wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor extra uren rechtsbijstand in een strafzaak, welke door de Raad voor Rechtsbijstand is afgewezen. Tegen deze afwijzing en het daaropvolgende heroverwegingsbesluit is bezwaar gemaakt en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat reeds een toevoeging is verleend en dat de rechtsbijstandverlener op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand verplicht is de nodige rechtsbijstand te verlenen. Hierdoor is gegarandeerd dat verzoeker niet verstoken blijft van adequate rechtsbijstand.

De stelling dat zonder extra uren geen adequate rechtsbijstand kan worden verleend, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed. Het systeem van forfaitaire vergoedingen houdt rekening met variaties in tijdsbesteding en eventuele extra uren kunnen achteraf worden hersteld indien het bezwaar gegrond wordt verklaard.

Gezien het ontbreken van onomkeerbare gevolgen en onverwijlde spoed wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting af. Er wordt geen proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van extra uren rechtsbijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 16/7904 en AMS 16/7905

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2016 in de zaken tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.W. Hermens),
en
Raad voor Rechtsbijstand, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de aanvraag om toekenning van extra uren in de strafzaak van verzoeker afgewezen.
Bij besluit van 23 november 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het verzoek tot heroverweging van het bestreden besluit I afgewezen.
Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:83 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2.1
Verweerder heeft de gemachtigde van verzoeker als rechtsbijstandverlener toegevoegd voor het verlenen van rechtsbijstand in een strafrechtprocedure waarin verzoeker verdachte is. De rechtsbijstandverlener heeft verzocht om toekenning van extra uren vergoeding en heeft namens verzoeker tegen de afwijzing daarvan en tegen de afwijzing van zijn herzieningsverzoek bezwaar gemaakt.
2.2
Verzoeker stelt, kort gezegd, dat het aantal toekende uren (24 forfaitair en 50 extra uren) onvoldoende is, omdat de zaak feitelijk en juridisch complex en bewerkelijk is. Het spoedeisend belang volgt uit het feit dat op 17 maart 2017 de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsvindt, die moet worden voorbereid en uit het feit dat de strafzaak naar alle waarschijnlijkheid zal zijn behandeld voordat een beslissing op bezwaar zal zijn genomen.
3. Op grond van artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan de rechtsbijstandverlener slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen.
4.1
De voorzieningenrechter is van oordeel dat evident geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb om een voorlopige voorziening hangende de bezwaarfase te treffen en overweegt daartoe als volgt.
4.2
De voorzieningenrechter stelt vast dat een toevoeging is verleend en dat de rechtsbijstandverlener op grond van het bepaalde in artikel 24, vierde lid, van de Wrb verplicht is verzoeker de nodige rechtsbijstand te verlenen. Dit betekent dat is gegarandeerd dat verzoeker niet is verstoken van de benodigde rechtsbijstand.
4.3
Ook de stelling van de gemachtigde van verzoeker dat zonder toekenning van de extra uren geen adequate rechtsbijstand kan worden verleend en hij nu gedwongen is om dan om niet te werken, dan wel om de verdediging van verzoeker neer te leggen, leidt niet tot de conclusie dat sprake is van onverwijlde spoed. Ook indien zou blijken dat volgens de richtlijnen geen recht op meer uren bestaat voor de rechtshulpverlener, dan is en blijft de rechtshulpverlener, gelet op artikel 24, vierde lid, van de Wrb, gehouden om adequate rechtshulp te verlenen, dus ook wanneer deze rechtshulp het aantal toegekende uren overschrijdt. Het systeem van vergoedingen is immers zo ingericht dat een rechtsbijstand-verlener de ene keer minder tijd en de andere keer meer tijd zal (moeten) besteden aan een dossier. Het besteden van meer uren in een zaak wordt in eerste instantie geacht te zijn verdisconteerd in het forfaitaire systeem van vergoedingen voor rechtsbijstand. Indien in bezwaar zal blijken dat de gemachtigde van verzoeker recht heeft op meer uren, kan dit achteraf zonder meer worden hersteld.
4.4
Gelet op het voorgaande is evident geen sprake van onomkeerbare gevolgen of van onverwijlde spoed waardoor op de beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom zonder zitting als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter,
in beide zaken:
- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Vreede, griffier, en bekendgemaakt aan partijen door verzending op de hieronder genoemde datum.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.