De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 november 2016 de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie opgelegd aan de veroordeelde na een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM). De veroordeelde had reeds twee time-outs van elk een week gehad vanwege het niet naleven van afspraken en gedragsproblemen, waaronder het doorknippen van een enkelband en vernielingen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de volledige vier maanden jeugddetentie ten uitvoer te leggen.
Tijdens de zitting verklaarde de veroordeelde gemotiveerd te zijn om aan zijn toekomst te werken en verzocht hij om nog een derde time-out, wat ook door zijn raadsvrouw en betrokken hulpverleners werd ondersteund. De hulpverlening zag verbetering en wilde de GBM voortzetten met minder en duidelijke afspraken. De moeder van de veroordeelde stond achter het nieuwe plan.
De rechtbank oordeelde dat de wet slechts twee time-outs toestaat gedurende de GBM en dat een derde time-out niet mogelijk is, ook al zou dit pedagogisch wenselijk zijn. Daarom werd de vordering van de officier van justitie slechts gedeeltelijk toegewezen, waarbij de reeds door de veroordeelde doorgebrachte vier weken jeugddetentie werden gelast en het resterende deel werd afgewezen. Hiermee blijft ruimte voor een korte tenuitvoerlegging indien de veroordeelde zich opnieuw niet aan de voorwaarden houdt.