ECLI:NL:RBAMS:2016:8314
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor poging tot zware mishandeling met kaakfractuur
Op 22 augustus 2015 liep de aangever een kaakfractuur op na een incident bij een horecagelegenheid in Amsterdam waar verdachte en zijn medeverdachte als portiers werkzaam waren. Verdachte werd beschuldigd van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van vastpakken, duwen en mogelijk schoppen.
Tijdens de terechtzitting op 19 oktober 2016 werd vastgesteld dat het vastpakken en duwen binnen de bevoegdheden van een portier kunnen vallen. Camerabeelden toonden aan dat verdachte en zijn medeverdachte aangever hardhandig benaderden en tegen deuren en muren duwden om hem te verwijderen. Echter, er was geen onomstotelijk bewijs dat zij hem tegen de grond duwden of dat zij de oorzaak waren van de kaakfractuur.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor het ten laste gelegde, waaronder poging tot zware mishandeling. De verklaring van aangever en camerabeelden konden niet uitsluiten dat het letsel op een ander moment of door een andere oorzaak was ontstaan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar deze vordering werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd en toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht niet aan de orde was.
De rechtbank wees de vordering van de officier van justitie af en sprak verdachte integraal vrij op 2 november 2016.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor poging tot zware mishandeling met kaakfractuur.