Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2016 in de zaak tussen
[naam Stichting] , te Amsterdam, eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
Werknemer was in dienst bij eiseres en werd geschorst nadat bekend werd dat hij strafbare handelingen had verricht. In plaats van ontslag op staande voet werd in onderling overleg een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2015 werd beëindigd.
Verweerder kende werknemer een WW-uitkering toe, waarna eiseres bezwaar maakte met het standpunt dat sprake was van verwijtbare werkloosheid wegens dringende reden. De rechtbank beoordeelde of de objectief dringende reden ook subjectief aanwezig was bij eiseres.
Hoewel het gedrag van werknemer objectief een dringende reden vormde, oordeelde de rechtbank dat eiseres niet handelde alsof er een dringende reden was. De beëindiging van het dienstverband in onderling overleg en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst toonden dit aan.
De partiële vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op basis van nieuwe informatie na het ontslag leidde niet tot een ander oordeel. De toetsing vindt plaats op het moment van beëindiging van het dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat werknemer terecht een WW-uitkering ontving.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat werknemer recht heeft op WW-uitkering wegens ontbreken van een subjectief dringende reden.