ECLI:NL:RBAMS:2016:7498

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 november 2016
Publicatiedatum
18 november 2016
Zaaknummer
13.751.499-15
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing overleveringsdetentie na prejudiciële vragen Hof EU

De opgeëiste persoon werd op 15 april 2016 voorlopig aangehouden en op 21 april 2016 definitief in bewaring gesteld. De beslistermijn van 90 dagen voor het Europees aanhoudingsbevel (EAB) ging toen in. Op 8 juli 2016 stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waardoor de beslistermijn werd geschorst.

Op 10 november 2016 gaf het Hof van Justitie antwoord op deze vragen, waarna de beslistermijn weer begon te lopen met nog twaalf dagen resterend. De rechtbank wilde de zaak samen met twee soortgelijke zaken behandelen om een goede rechtspleging te waarborgen, wat niet binnen de resterende termijn mogelijk was.

De verdediging steunde het voorstel tot schorsing van de overleveringsdetentie, maar het Openbaar Ministerie verzette zich vanwege vluchtgevaar en verzocht om behandeling binnen de termijn. De rechtbank oordeelde dat het belang van een goede rechtspleging zwaarder weegt dan het belang van een beslissing binnen 90 dagen en besloot de overleveringsdetentie te schorsen onder strikte voorwaarden, waaronder meldplicht, inlevering reisdocument en verblijfsadres.

De schorsing gaat in op 22 november 2016, mits de opgeëiste persoon zijn reisdocument heeft ingeleverd. De opgeëiste persoon moet zich houden aan alle opgelegde voorwaarden en zal zonder nadere oproeping verschijnen op de zitting voor de inhoudelijke behandeling op 1 december 2016.

Uitkomst: De rechtbank schorst de overleveringsdetentie met ingang van 22 november 2016 onder strikte voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751.499-15
RK nummer: 15/2753
BESLISSING
tot schorsing van de overleveringsdetentie in de zaak van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het [detentie adres] .

1.Procesgang

De opgeëiste persoon is voorlopig aangehouden op 15 april 2016.
Op 21 april 2016 heeft de officier van justitie de voorlopige aanhouding omgezet in aanhouding.
De termijn als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW) is op die dag ingegaan.
Op 8 juli 2016 heeft de rechtbank besloten om in deze zaak prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Met ingang van die dag zijn de beslistermijnen geschorst.
Bij arrest van 10 november 2016 heeft het Hof van Justitie antwoord gegeven op de prejudiciële vragen. Op diezelfde dag heeft het Hof van Justitie ook antwoord gegeven op de prejudiciële vragen in twee samenhangende zaken (C-452/16 PPU (Poltorak) en C-477/16 PPU (Kovalkovas)).
Met ingang van 10 november 2016 zijn de beslistermijnen weer gaan lopen. Van de beslistermijn resteerden op dat moment nog twaalf dagen.

2.Beoordeling

Begin oktober 2016 heeft de rechtbank na overleg met de verdediging en het Openbaar Ministerie bepaald dat na de ontvangst van de antwoorden op de prejudiciële vragen de inhoudelijke behandeling van deze zaak en de twee samenhangende zaken zal plaatsvinden op de zitting van 1 december aanstaande. De rechtbank zal dan in dezelfde samenstelling zitting houden als ten tijde van de verwijzingsbeslissing. Voor de behandeling van deze zaken is een dagdeel uitgetrokken.
Het Hof van Justitie heeft partijen op 27 oktober 2016 ervan in kennis gesteld dat op 10 november 2016 arrest zou worden gewezen.
Na kennisneming van het arrest van het Hof van Justitie heeft de rechtbank op 10 november 2016 de verdediging en het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van haar voornemen om de overleveringsdetentie te schorsen met ingang van het moment waarop de termijn van 90 dagen is verstreken en heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
De verdediging heeft het voornemen ondersteund.
Het Openbaar Ministerie heeft zich verzet tegen uitvoering van dit voornemen en heeft verzocht de zaak te behandelen binnen de termijn van 90 dagen en wel op de zitting van 22 november 2016, omdat nog steeds sprake is van vluchtgevaar.
De rechtbank heeft de volgende omstandigheden in aanmerking genomen:
- gelet op de goede rechtspleging is het wenselijk dat deze zaak tegelijkertijd met de twee samenhangende zaken wordt behandeld door de combinatie die de prejudiciële vragen heeft gesteld en dat voor die gezamenlijke behandeling voldoende zittingstijd beschikbaar is;
- hoewel met betrekking tot het meer recente verleden de binding van de opgeëiste persoon met Nederland onvoldoende is aangetoond, heeft hij in het verleden vele jaren in Nederland ingeschreven gestaan.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van de goede rechtspleging zwaarder weegt dan het belang bij een beslissing op het EAB binnen de beslistermijn van 90 dagen. Het rooster laat een eerdere, gezamenlijke inhoudelijke behandeling door de verwijzende combinatie binnen die termijn niet toe. Het risico van vlucht zal de rechtbank trachten te beperken door het opleggen van een in vergelijking met andere zaken meer stringente meldplicht.
Gelet op artikel 22, vierde lid, zal de rechtbank daarom de schorsing van de overleveringsdetentie bevelen met ingang van het moment waarop de 90 dagen zijn verstreken.

3.Beslissing

BEVEELTde schorsing van de overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon]voornoemd
met ingang van 22 november 2016, doch niet eerder dan nadat hij elk op zijn naam gesteld reisdocument heeft ingeleverd bij de officier van justitie, onder de navolgende voorwaarden:
1. de opgeëiste persoon zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de overleveringsdetentie onttrekken, als het bevel tot schorsing wordt opgeheven;
2. de opgeëiste persoon zal zonder nadere oproeping verschijnen op de uitspraak van deze rechtbank op het overleveringsverzoek;
3. de opgeëiste persoon zal aan iedere oproeping in deze zaak van de kant van justitie of politie gevolg geven;
4. de opgeëiste persoon zal binnen vijf dagen na de schorsing een verblijfadres opgeven aan de officier van justitie en op dat adres verblijven en bereikbaar zijn;
5. de opgeëiste persoon zal de rechtbank en de officier van justitie schriftelijk van iedere adreswijziging op de hoogte stellen;
6. de opgeëiste persoon zal ieder te zijnen naam gesteld reisdocument inleveren bij de officier van justitie;
7. de opgeëiste persoon zal zich
vijfmaal per week melden op een door de officier van justitie aan te wijzen politiebureau op door de officier van justitie te bepalen dagen en tijdstippen;
8. de opgeëiste persoon zal Nederland niet verlaten.
Deze beslissing is genomen op 16 november 2016 door:
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. C. Klomp en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.