De opgeëiste persoon werd op 15 april 2016 voorlopig aangehouden en op 21 april 2016 definitief in bewaring gesteld. De beslistermijn van 90 dagen voor het Europees aanhoudingsbevel (EAB) ging toen in. Op 8 juli 2016 stelde de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, waardoor de beslistermijn werd geschorst.
Op 10 november 2016 gaf het Hof van Justitie antwoord op deze vragen, waarna de beslistermijn weer begon te lopen met nog twaalf dagen resterend. De rechtbank wilde de zaak samen met twee soortgelijke zaken behandelen om een goede rechtspleging te waarborgen, wat niet binnen de resterende termijn mogelijk was.
De verdediging steunde het voorstel tot schorsing van de overleveringsdetentie, maar het Openbaar Ministerie verzette zich vanwege vluchtgevaar en verzocht om behandeling binnen de termijn. De rechtbank oordeelde dat het belang van een goede rechtspleging zwaarder weegt dan het belang van een beslissing binnen 90 dagen en besloot de overleveringsdetentie te schorsen onder strikte voorwaarden, waaronder meldplicht, inlevering reisdocument en verblijfsadres.
De schorsing gaat in op 22 november 2016, mits de opgeëiste persoon zijn reisdocument heeft ingeleverd. De opgeëiste persoon moet zich houden aan alle opgelegde voorwaarden en zal zonder nadere oproeping verschijnen op de zitting voor de inhoudelijke behandeling op 1 december 2016.