Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de brief, gedateerd 28 januari 2016, van mr. Van Kooten, met producties;
- de mondelinge behandeling, het daarvan opgemaakte proces-verbaal en de daarin vermelde
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
in boek 2 geregelderechtsvorm. Zie Kamerstukken 1987-1988, 17725, nummer 13, bladzijden 7 tot en met 10:
Artikel 2
5. (…) De scheiding tussen Kerk en Staat is een in de loop van de tijd, tot welzijn van beide, gegroeide wijsheid. (…) Het verdient daarom aanbeveling om al wat met die inrichting te maken kan hebben, buiten de dwingende regels van Boek 2 te houden. Dat betekent niet dat, waar het kerkelijk recht geen eigen regeling kent, het algemeen deel van Boek 2 niet analogisch van toepassing zou kunnen zijn (…).
JOR2001/121. Het ging om een verzoek tot omzetting van een civiele stichting in een ‘privaatrechtelijke kerkelijke instelling’. De rechtbank verleent de verzochte machtiging, maar de beschikking geeft niet eens aan welk kerkelijk statuut op de ‘omgezette’ rechtspersoon van toepassing is. Bij gebrek aan een dergelijk statuut valt reeds de mogelijkheid van omzetting niet te controleren. Voor zover al vanuit het civiele recht de omzetting mogelijk zou zijn, zou nog moeten blijken in hoeverre het kerkelijke statuut de omzetting accepteert”;
2-II1997/151 is betoogd dat een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel daarvan zich niet kan omzetten in een andere rechtsvorm. Ook in deze zin Asser/Rensen
2-III*2012/396. Daartegen pleit dat art. 2:2 lid 2 BW Pro bepaalt dat overeenkomstige toepassing van de artikelen van titel 1 (algemene bepalingen) geoorloofd is, voor zover deze is te verenigen met zijn statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen. Daaruit volgt dat art. 2:18 BW Pro zich in beginsel voor overeenkomstige toepassing leent. Of daarvan in een concreet geval sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval. In gelijke zin: Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 13.1; Snijder-Kuipers,
IVO 702010, p. 248 e.v. (diss.). In de praktijk komen omzettingen van of in kerkgenootschappen voor. Snijder-Kuipers,
IVO 702010, p. 249 (diss.) betoogt dat art. 2:2 lid 2 BW Pro geen rol speelt bij de omzetting van een privaatrechtelijke rechtspersoon in een kerkgenootschap, omdat het kerkgenootschap pas in het leven wordt geroepen door de omzetting. Ik zou willen aannemen dat ook in dat geval art. 2:18 BW Pro (krachtens art. 2:2 lid 2 BW Pro) slechts van overeenkomstige toepassing kan zijn. Van rechtstreekse toepasselijkheid is volgens mij geen sprake omdat onder ‘een andere rechtsvorm’ in art. 2:18 BW Pro niet verstaan kan worden een kerkgenootschap. Vgl. Kamerstukken II 2002/03, 28746, nr. 3, p. 61 over de term ‘andere rechtsvorm’. Niet juist lijkt mij de uitspraak van Rb. Zwolle 28 februari 2001, JOR 2001/121, voor zover daarin is overwogen dat art. 2:18 BW Pro rechtstreeks van toepassing is op de omzetting van een stichting in een private kerkelijke instelling. De beslissing is gebaseerd op een niet voor de hand liggende uitleg van de parlementaire geschiedenis. Ten onrechte is voorbijgegaan aan art. 2:2 lid 2 BW Pro”;