De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van moord en medeplegen van het verbranden van het stoffelijk overschot van [persoon 1]. Uit het onderzoek bleek dat [persoon 1] was doodgeschoten in zijn woning en dat het lichaam vervolgens door verdachte en haar echtgenoot was weggewerkt en verbrand op het erf.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond om verdachte te verbinden aan de moord zelf. Zowel verdachte als haar echtgenoot wezen elkaar aan als dader, maar de verklaringen en het bewijsmateriaal wezen vooral naar de echtgenoot als schutter. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het medeplegen van moord.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medepleger was bij het wegmaken van het stoffelijk overschot. Zij hielp het lichaam, door haar echtgenoot ingepakt in een zeil, op een kruiwagen tillen en wist dat dit diende om de doodsoorzaak te verhullen. De rechtbank vond dat haar bijdrage wezenlijk was en dat zij bewust meewerkte.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, lager dan de eis van tien maanden, rekening houdend met de beperkte aard van haar bijdrage en de maximale straf die de wetgever aan dit delict verbindt. De straf werd verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest had doorgebracht.
De uitspraak benadrukte het respectloos handelen van verdachte tegenover het slachtoffer en de nabestaanden, die door haar handelen geen waardig afscheid konden nemen en in onzekerheid werden gehouden.