Eiseres verzocht het Openbaar Ministerie om een verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk van haar broer in te dienen bij de rechtbank op grond van artikel 1:71a BW. De officier van justitie weigerde dit verzoek per brief en stelde dat er geen sprake was van een schijnhuwelijk. Tegen deze brief maakte eiseres bezwaar, dat door de hoofdofficier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de brief geen bestuursrechtelijk besluit zou zijn.
Eiseres stelde dat de beslissing van de officier van justitie wel rechtsgevolgen heeft omdat alleen op verzoek van het OM een huwelijk nietig verklaard kan worden, wat ook gevolgen heeft voor haar. De rechtbank overwoog dat hoewel de officier van justitie onder omstandigheden als bestuursorgaan kan worden aangemerkt, de beslissing op het verzoek om geen nietigverklaring in te dienen geen publiekrechtelijke rechtshandeling is die als bestuursrechtelijk besluit kan worden aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van de officier van justitie een civielrechtelijke beslissing betreft op grond van personen- en familierecht en dat bezwaar tegen deze beslissing niet mogelijk is. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.