Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 16 maart 2016,
- het proces-verbaal van comparitie van 4 mei 2016.
2.De feiten
nietworden gerestitueerd.
Rechtbank Amsterdam
B6 Administratie V.O.F. trad op als franchisegever en sloot op 17 oktober 2014 een franchiseovereenkomst met [gedaagde] als franchisenemer. De overeenkomst bevatte bepalingen over de looptijd, beëindiging, overdracht van klantenportefeuilles en relatiebedingen die franchisenemer verplichten klanten niet te benaderen na beëindiging.
In het najaar van 2015 wilde [gedaagde] de franchiseovereenkomst beëindigen en onderhandelde met B6 over de teruggave van klanten. Deze onderhandelingen mislukten, waarna [gedaagde] de overeenkomst op 5 november 2015 eenzijdig opzegde en zijn klanten bleef bedienen zonder overdracht van de klantenportefeuille aan B6.
B6 stelde dat dit een schending van de contractuele verplichtingen was en vorderde schadevergoeding en rectificatie wegens onjuiste communicatie van [gedaagde] aan klanten over de rechtspositie en het vermeende retentierecht van B6. De rechtbank oordeelde dat de bepalingen in de overeenkomst duidelijk zijn en dat [gedaagde] gehouden was zijn klantenportefeuille over te dragen en het relatiebeding na te leven.
De rechtbank verwierp de beroepen van [gedaagde] op redelijkheid en billijkheid, dwaling, bedrog en onredelijk bezwarend karakter van het relatiebeding. Tevens stelde de rechtbank vast dat de mededelingen van [gedaagde] aan klanten onjuist waren en reputatieschade aan B6 hebben toegebracht, wat een onrechtmatige daad oplevert.
De rechtbank veroordeelde [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat, tot het versturen van een rectificatie aan de klanten en tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: De franchisenemer is veroordeeld tot schadevergoeding en rectificatie wegens schending van de franchiseovereenkomst en onjuiste communicatie aan klanten.