Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2016:5045

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 mei 2016
Publicatiedatum
9 augustus 2016
Zaaknummer
13/665040-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 45 SrArt. 26 Wet Wapens en MunitieArt. 27 SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot moord wegens onvoldoende bewijs

Op 15 november 2015 werd in Uithoorn op een persoon geschoten vanuit een bestelbus met twee inzittenden. Verdachte werd ervan verdacht als bijrijder samen met een ander het slachtoffer te hebben proberen te doden met een vuurwapen.

De officier van justitie achtte medeplegen van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van wapens en munitie bewezen op basis van de verklaring van het slachtoffer. De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van deze verklaring en stelde dat er onvoldoende ondersteunend bewijs was.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaring van het slachtoffer niet onbetrouwbaar was, deze onvoldoende werd ondersteund door andere bewijsmiddelen. Met name was niet vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk een van de twee mannen in de bestelbus was. Hierdoor kon niet worden bewezen dat verdachte medepleger was.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlasteleggingen poging tot moord en wapenbezit. Tevens werd een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd omdat verdachte zich niet aan nieuwe strafbare feiten had schuldig gemaakt.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging tot moord en wapenbezit wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS
Parketnummers: 13/665040-16 en 16/653934-13 (TUL)
Datum uitspraak: 4 mei 2016
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [GBA-adres] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 mei 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L.A. ter Veer, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 15 november 2015 te Uithoorn ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [persoon] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen in de richting van die [persoon] heeft/hebben geschoten;
(artikel 289 juncto Pro 45 van het Wetboek van Strafrecht)
2.
hij op of omstreeks 15 november 2015 te Uithoorn, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een of meer wapens van categorie II en/of III, en/of 7 patronen (5 x .22 en 2 x 7.65) munitie (van categorie II en/of III), voorhanden heeft gehad;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
(artikel 26 Wet Pro Wapens en Munitie)

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag en het onder 2 ten laste gelegde in vereniging met een ander voorhanden hebben van wapens en munitie bewezen geacht.
De officier van justitie heeft zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat op grond van het dossier is komen vast te staan dat de twee personen in de bestelbus samen hebben geprobeerd verdachte dood te schieten. De officier van justitie heeft op grond van de verklaring van aangever [persoon] bewezen geacht dat verdachte één van die personen, namelijk de bijrijder van de bestelbus, is geweest. Volgens de officier biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat sprake was van voorbedachte raad, maar zij meent dat medeplegen van een poging tot doodslag wel kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangever [persoon] dermate onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van [persoon] op essentiële punten onvoldoende steun vinden in overig bewijs om tot een veroordeling te kunnen komen.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verklaringen van aangever [persoon] dusdanig onbetrouwbaar zijn dat ze van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank is wel van oordeel dat de verklaringen van [persoon] op essentiële punten onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Hiervoor is het volgende van belang. Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen is komen vast te staan dat op de Thamerweg te Uithoorn met een vuurwapen op [persoon] is geschoten en dat de dader of daders vlak voordat er is geschoten in een bestelbus richting [persoon] is of zijn gereden. Voorts kan daaruit worden afgeleid dat er twee personen in de bestelbus zaten. Aangever [persoon] heeft pas in een later stadium van het onderzoek en nadat de politie hem de naam van verdachte had genoemd, verklaard dat verdachte de bijrijder was van deze bestelbus. Zijn verklaring vindt op dit punt onvoldoende steun in overige onderzoeksbevindingen. Dit maakt dat niet is komen vast te staan dat verdachte één van de mannen in de bestelbus en dus de (mede)dader van de poging tot doodslag is geweest. Gelet op het voorgaande moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten onder 1 en 2 laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
Bij de stukken bevindt zich de op 8 februari 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/653934-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 23 januari 2014 van de meervoudige strafkamer te Midden-Nederland, waarbij verdachte is veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, en met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 18 dagen, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 20 februari 2014 aan verdachte is verzonden.
Nu niet is gebleken dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, ziet de rechtbank geen aanleiding de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel te gelasten. De rechtbank wijst de vordering tenuitvoerlegging daarom af.
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F.M. Wieland, voorzitter,
mrs. G.M. van Dijk en O.P.M. Fruytier, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2016.