De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van een man die sinds 2002 onder deze maatregel viel. De terbeschikkinggestelde woont zelfstandig, werkt en heeft zich gedurende de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van zeven maanden goed staande gehouden in de maatschappij.
Diverse rapportages van deskundigen, waaronder psychiaters en een psycholoog, toonden aan dat het recidiverisico laag is en dat er geen actuele psychische stoornissen of gevaar voor de veiligheid van anderen zijn. De reclassering bevestigde dat de terbeschikkinggestelde betrouwbaar is en zich aan alle voorwaarden heeft gehouden.
De rechtbank concludeerde dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel, omdat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit niet langer eist. De wettelijke bepaling die een minimale periode van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voorschrijft, stond de afwijzing niet in de weg. De vordering tot verlenging werd daarom afgewezen.