ECLI:NL:RBAMS:2016:3802

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juni 2016
Publicatiedatum
23 juni 2016
Zaaknummer
AWB 15/8244
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. van den Bergh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet voldoen aan inlichtingenplicht

Op 20 juni 2016 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tussen een man, eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, over de intrekking van de bijstandsuitkering van eiser. De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Eiser had zijn recht op bijstand verloren per 16 oktober 2015, na een gesprek met een handhavingsspecialist waarin hij niet de gevraagde bankafschriften overhandigde. Eiser had weliswaar bankafschriften bij zich, maar de rechtbank oordeelde dat de escalatie van het gesprek en het gedrag van eiser de reden waren dat deze niet zijn overgelegd. Eiser had bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat verweerder terecht had gehandeld door de bijstandsuitkering in te trekken, omdat eiser verwijtbaar had gehandeld door niet de benodigde informatie te verstrekken. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser ongegrond en er werd geen proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 15/8244

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2016 in de zaak tussen

[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: D. Ahmed).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingetrokken per 16 oktober 2015.
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt .
Bij besluit van 14 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 9 oktober 2015 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 13 oktober 2015 in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van eisers uitkering. Verweerder heeft dit onderzoek ingesteld na een melding van [de vrouw] dat zij bij eiser zou inwonen. In de brief van 9 oktober 2015 werd eiser gevraagd om een geldig identiteitsbewijs en bankafschriften of transactieoverzichten van alle betaal – en spaarrekeningen over laatste drie maanden mee te nemen naar het gesprek.
2. Eiser is niet verschenen op het gesprek van 13 oktober 2015. Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft verweerder eisers uitkering opgeschort en hem uitgenodigd voor een gesprek op 16 oktober 2015. In deze brief heeft verweerder opnieuw aan eiser gevraagd om een geldig identiteitsbewijs en afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen van de laatste drie maanden mee te nemen.
3. Bij het primaire besluit is de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken op grond van artikel 17 en 54, vierde lid van de Participatiewet (Pw), omdat hij niet voldaan heeft aan de inlichtingenplicht waardoor het volgens verweerder niet mogelijk was om eisers recht op bijstand vast te stellen. Verweerder heeft aan dit besluit een rapport van bevindingen van
16 oktober 2015 ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat eiser is verschenen op het gesprek en dat een woordenwisseling is ontstaan tussen hem en de handhavingsspecialist van verweerder, waarbij deze zich bedreigd heeft gevoeld en het gesprek heeft beëindigd zonder een verklaring van eiser op te nemen.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser verwijtbaar de gevraagde gegevens niet heeft verstrekt door zijn houding en gedrag tijdens het gesprek op 16 oktober 2015. De gevraagde gegevens zijn van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand in verband met de melding van [de vrouw] dat zij bij eiser inwoont. Eiser was van de reden van het onderzoek op de hoogte. Volgens verweerder had het op de weg van eiser gelegen om de bankafschriften te overhandigen op 16 oktober 2015 als hij de bankafschriften bij zich had, hetgeen niet is komen vast te staan.
5. Eiser voert aan dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Hij heeft te allen tijde de benodigde informatie overhandigd, dan wel mondeling gegeven. Het uit de hand gelopen gesprek van 16 oktober 2015 mag niet de enige aanleiding zijn om de uitkering in te trekken. Tijdens het gesprek op 16 oktober 2015 had eiser de gevraagde bankafschriften bij zich, maar de handhavingsspecialist heeft ten onrechte niet gevraagd om deze over te leggen. Eiser betwist de weergave van het gesprek in het rapport van 16 oktober 2015. Het rapport is niet ondertekend en eiser heeft geen akkoord verleend voor het rapport. De bankafschriften zijn in bezwaar alsnog overgelegd. Aangezien verweerder het bezwaar ex-nunc dient te toetsen zijn de bankafschriften ten onrechte niet bij de besluitvorming betrokken. Tevens heeft eiser naar voren gebracht dat het gesprek uit de hand liep, omdat hij op hete kolen zat, niet duidelijk was hoe lang het gesprek zou duren en hij zich door de handhavingsspecialist onder druk gezet voelde om te verklaren dat hij samenwoonde met [de vrouw] .
Eiser heeft ter zitting nader toegelicht dat het tijdstip van het gesprek op 16 oktober 2015 hem niet goed uit kwam, omdat hij zijn zoontje moest ophalen in Den Haag. Verder heeft eiser ter zitting aangevoerd dat hij de handhavingsspecialist heeft voorgesteld om in verband met zijn afspraak met de moeder van zijn zoontje spoedshalve direct naar de woning te rijden om daar een controle uit te voeren.
6. Artikel 54, eerste lid, van de PW bepaalt dat indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Artikel 54, vierde lid, van de PW bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
In geschil is dan ook of eiser verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde hersteltermijn de gevraagde medewerking te verlenen en de gevraagde gegevens te verstrekken en zo niet, of hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
7. Eiser betwist niet langer dat de bankafschriften noodzakelijk waren om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.
8. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat het gesprek in redelijkheid niet plaats kon vinden op 16 oktober 2015. Het gesprek stond gepland voor 10:20 uur en zou ongeveer een uur duren. Zelfs als het gesprek een half uur later was begonnen, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, had hij nog voldoende tijd gehad om zijn zoontje om 14:00 uur op te halen in Den Haag. Bovendien had eiser met zijn ex-partner nader afgesproken dat zij hun zoontje naar Schiphol zou brengen, waardoor eiser nog meer tijd had voor het gesprek met de handhavingsspecialist. Daarnaast heeft verweerder ter zitting aangegeven dat het gebruikelijk is om eerst een gesprek te voeren voordat een huisbezoek wordt verricht, omdat tijdens het huisbezoek hetgeen eerder is verklaard over de woonsituatie wordt geverifieerd. Om die reden heeft de handhavingsspecialist geweigerd om meteen een huisbezoek af te leggen, zoals door eiser verzocht. Tevens heeft verweerder ter zitting uitgelegd waarom in beginsel geen nieuwe afspraak wordt gemaakt bij een vermoeden van een gezamenlijke huishouding. Wanneer een huisbezoek nodig blijkt wordt dit aansluitend aan het gesprek uitgevoerd, zodat de betrokkene niet de mogelijkheid heeft om aanpassingen in huis te verrichten en zo verweerder op het verkeerde been te zetten. De rechtbank kan deze werkwijze van verweerder billijken.
9. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de weergave van de feitelijke gang van zaken in het op ambtsbelofte opgemaakte rapport van de handhavingsspecialist van 16 oktober 2015. Uit het rapport blijkt dat de handhavingsspecialist heeft geprobeerd om eiser rustig te krijgen en het gesprek op gang te helpen. Eiser, daarentegen, heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ongepast en verbaal agressief gedragen tegen de handhavingsspecialist, hetgeen heeft geleid tot beëindiging van het gesprek. Tegen deze achtergrond is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het feit dat de escalatie van het gesprek met de handhavingsspecialist ertoe heeft geleid dat de bankafschriften, die eiser zegt bij zich te hebben gehad, niet zijn overgelegd voor risico van eiser moet blijven.
10. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak komt bij de beoordeling van een besluit tot intrekking van bijstand na en in verband met de opschorting van het recht daartoe in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaar- of beroepsfase alsnog worden verstrekt. Aan de in bezwaar alsnog overgelegde bankafschriften komen om die reden dan ook geen betekenis toe.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bijstandsuitkering van eiser heeft mogen intrekken op grond van artikel 54, vierde lid van de Pw.
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Bakker, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2016.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.