De vader verzocht op grond van artikel 1:253a BW om toestemming om met zijn twee minderjarige kinderen naar Groot-Brittannië te verhuizen. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit. De moeder verzet zich tegen de verhuizing en betoogt dat de vader onvoldoende zorg kan bieden en dat de verhuizing nadelig is voor de kinderen.
De rechtbank hield rekening met het belang van de kinderen, hun leeftijd, de recente veranderingen in hun woon- en zorgsituatie, en het feit dat zij sinds 2014 in Nederland wonen en naar een internationale school gaan. De rechtbank overwoog dat een verhuizing naar Groot-Brittannië een ingrijpende verandering zou zijn die de continuïteit en stabiliteit van het leven van de kinderen zou verstoren.
Hoewel de vader zijn wens om dichter bij zijn vriendin te wonen en zijn carrièrekansen in Groot-Brittannië toelichtte, achtte de rechtbank de noodzaak van verhuizing niet voldoende aangetoond. Ook het contact tussen de moeder en de kinderen zou door de verhuizing sterk verminderen. De rechtbank adviseerde mediation en een GOO-zitting om tot een gezamenlijke oplossing te komen.
De rechtbank wees het verzoek van de vader af en benadrukte dat toekomstige beslissingen mogelijk anders kunnen uitvallen, mits de ouders gezamenlijk tot overeenstemming komen en het belang van de kinderen voorop blijft staan.