Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis van de kantonrechter
[eiser]
[gedaagde]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- de conclusie van antwoord;
- het instructievonnis van 22 februari 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- een brief van 7 april 2016 met producties van [gedaagde] ;
- een faxbericht van 14 april 2016 met een productie van [eiser] .
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Feiten
“1.3 Huurder is - zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder - niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers en het verlenen van pension of het doen van afstand van huur. (…)
1.4 Ingeval huurder handelt in strijd met het bepaalde in 1.3 verbeurt hij aan verhuurder per kalenderdag dat de overtreding voortduurt een direct opeisbare boete, gelijk aan driemaal de op dat moment voor huurder geldende huurprijs per dag met een minimum van € 45,-- per dag, onverminderd het recht van verhuurder om nakoming dan wel ontbinding wegens wanprestatie, alsmede schadevergoeding te vorderen voor zover de schade de boete overstijgt. Verder dient huurder alle daardoor verkregen inkomsten aan verhuurder af te dragen.”
“In antwoord op een regelmatig bij ons terugkerende vraag aangaande verhuur als vakantiewoning berichten wij u dat de eigenaar verhuurder [eiser] niet akkoord zal gaan met het geheel of gedeeltelijk verhuren van de door u gehuurde woning als vakantiewoning.
Ten overvloede wijzen wij u erop dat het eveneens niet is toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik aan derden af te staan (…)”
Het is juist dat [gedaagde] sedert 2013 haar woning ongeveer eenmaal per maand heeft verhuurd ten behoeve van vakantieverhuur. Zij betwist dat onderverhuur driemaal meer keren heeft plaatsgevonden dan de 33 keer waarop de recensies zien, zoals [eiser] stelt. Met de brief van [eiser] van 1 september 2015 (zie onder 1.5.) werd voor het eerst aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat [eiser] niet instemt met (kortstondige) vakantieverhuur. [gedaagde] wist niet dat dit niet was toegestaan. Na ontvangst van de brief heeft [gedaagde] de vakantieverhuur direct gestaakt. [gedaagde] heeft niet in strijd gehandeld met de huurovereenkomst en de algemene bepalingen waardoor geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] . Van een klassieke wijze van onderverhuur als bedoeld in de algemene voorwaarden dan wel van bedrijfsmatige verhuur was geen sprake. Er is enkel sprake geweest van kortstondige verhuurperioden aan toeristen. De toeristen hadden hun hoofdverblijf in het land van herkomst en [gedaagde] had en heeft haar hoofdverblijf in het gehuurde. Wanneer de woning werd verhuurd verbleef [gedaagde] op zolder waar zij een slaapkamer heeft. Er kan dan ook niet gesproken worden van een overtreding van artikel 1.3 van de algemene bepalingen, aangezien dit artikel niet ziet op een verbod op vakantieverhuur aan toeristen. Voor zover sprake zou zijn van een toerekenbare tekortkoming, dan rechtvaardigt deze niet de gevorderde ontbinding. Op dit moment vindt geen vakantieverhuur meer plaats in het gehuurde. Na ontvangst van de brief van 1 september 2015 van Vidro beheer is er niet meer verhuurd door [gedaagde] . Voorts wordt betwist dat omwonenden overlast hebben ervaren van [gedaagde] of de verhuur aan toeristen. [gedaagde] brengt een aantal verklaringen van omwonenden in waaruit dat blijkt. Het verlies van haar woning is een te verstrekkend gevolg. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van de boete en afdracht van de vermeend genoten winst.
Beoordeling
Deze vorm van onderverhuur valt immers onder het verbod van artikel 1.3 van de algemene bepalingen (zie onder 1.4). Derhalve is [gedaagde] tekortgekomen in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst.
Nu uit de dossierstukken blijkt dat [gedaagde] sinds januari 2012 lid is van Airbnb, wordt deze datum als aanvangsdatum van de onderverhuur genomen. [eiser] heeft nog gesteld dat [gedaagde] met de onderverhuur is doorgegaan ook nadat haar bij brief van
1 september 2015 was meegedeeld dat onderverhuur niet was toegestaan. Voldoende is evenwel gebleken dat [gedaagde] kort nadien, na terugkeer van haar vakantie, de woning direct van de website Airbnb heeft gehaald.
BESLISSING
€ 10.580,00 aan hoofdsom;