Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
HEN DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAAK OF EEN GEDEELTE DAARVAN PLAATSELIJK BEKEND ALS DE [adres],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
+
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een kort geding tussen woningstichting Eigen Haard en huurder [gedaagde sub 1], die sinds 1980 een sociale huurwoning bezit. Eigen Haard vordert ontruiming wegens vermeende onderhuur zonder toestemming en geluidsoverlast veroorzaakt door derden in de woning.
Eigen Haard baseert haar vordering op meldingen van omwonenden, onaangekondigde huisbezoeken waarbij vaak niemand werd aangetroffen, en verklaringen dat derden de woning tegen betaling gebruiken. [gedaagde sub 1] erkent dat familie en vrienden soms logeerden, maar ontkent onderhuur en stelt dat hij de woning als hoofdverblijf heeft ondanks zijn frequente verblijf in het buitenland voor werk.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de huurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de woning zijn hoofdverblijf is, mede door overlegging van arbeidscontract en hotelbewijzen. De vermeende onderhuur is niet overtuigend bewezen, aangezien tegenstrijdige verklaringen bestaan en het kort geding zich niet leent voor nader feitenonderzoek. Ook is de overlast onvoldoende aannemelijk gemaakt om ontruiming te rechtvaardigen.
De gevorderde ontruiming wordt daarom afgewezen. Eigen Haard wordt veroordeeld in de proceskosten, die begroot zijn op €1.104. De niet verschenen gedaagden krijgen verstek. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter A.J. Beukenhorst en griffier J. van Sintemaartensdijk op 11 mei 2016.
Uitkomst: De gevorderde ontruiming van de sociale huurwoning wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onderhuur en overlast.