3.2.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en samengevat het volgende aangevoerd.
De verdenking jegens verdachte vloeit in de eerste plaats voort uit het proces-verbaal van CIE-informatie uit maart 2006. De desbetreffende informatie luidde:
“ [medeverdachte 1] schijnt maandelijks geld aan de familie van [persoon 1] te geven, die vast zit. [persoon 1] is twee jaar geleden aangehouden na de vangst van ongeveer 4.000 kilo cocaïne in de haven van Vlissingen. Hij heeft geen namen genoemd. De partij cocaïne was van [medeverdachte 1] , [verdachte] en de eigenaar van [bedrijf 1 B.V.] ”.Verdachte was in 2006 voorzitter/bestuurder van de stichting “ [naam stichting] ”. Deze stichting heeft hetzelfde vestigingsadres als de bedrijven [bedrijf 1 B.V.] en [bedrijf 1 holding B.V.] in Amsterdam-Noord. De eindbestemming van [naam 1] , een droogdok van de onderneming [naam 5] , bleek daarnaast in directe relatie te staan tot verdachte, die een jeugdvriend van medeverdachte [medeverdachte 1] is. Het desbetreffende droogdok van [naam 5] bleek gevestigd te zijn op hetzelfde terrein in Antwerpen als het bedrijf [bedrijf 2] . Verdachte is de eigenaar van [bedrijf 2] en is aandeelhouder van [naam 5] geweest. Uit een in 2003 uitgevoerd rechtshulpverzoek in België blijkt dat het de bedoeling was dat [naam 1] zou worden gespoten en geschilderd door de onderaannemer [bedrijf 2] in een droogdok van [naam 5] . Hierdoor bood het bedrijf [bedrijf 2] een ideale legale eindbestemming voor [naam 1] . Onder het mom van een schilder- en/of reparatiebeurt zou de partij cocaïne in alle rust van boord kunnen worden gehaald. De fax- en telefoonnummers van [naam 5] werden aangetroffen op twee in beslag genomen papieren aan boord van [naam 1] .
De volgende bevindingen hebben ten grondslag gelegen aan de verdenking van betrokkenheid van verdachte bij de invoer van cocaïne.
[persoon 2] , die naar eigen zeggen tussen 2000 en 2003 werkzaam bij de organisatie van de [naam drugskartel] en bij bepaalde drugstransporten het hoofd was en bij andere transporten medewerker, verkreeg in de voorbereiding op het transport met [naam 1] van [persoon 3] een papier van de werf.
Opvallend is dat de boten van ‘de kaasroute’ steeds aankomen op een werf waar werkzaamheden zullen worden verricht door het bedrijf van verdachte, die een jeugdvriend van medeverdachte [medeverdachte 1] is.
Bij een bedrijf van verdachte is een cursusbrief voor [medeverdachte 1] aangetroffen die aan [medeverdachte 1] een legitieme reden verschaft de werf te betreden. Verdachte heeft verklaard dat deze op 28 augustus 2002 gemaakte cursusbrief nodig was voor medeverdachte [medeverdachte 1] om eerder vrij te komen uit detentie met een enkelband. Deze toelichting is moeilijk te volgen, omdat [medeverdachte 1] pas daarna, vanaf 2 september 2002, kwam vast te zitten (13/060767-02) en pas op 10 september 2002 voor het eerst door verdachte in de [detentie adres] werd bezocht.
De twee facturen voor de huur van een pand in Westknollendam zijn opmerkelijk, omdat uit onderzoek is gebleken dat komst van [naam 1] werd uitgesteld en er dus een tweede huurtermijn nodig was.
Daarnaast zijn er nog de geconstateerde “leningen” uit 1999 en 2000 van enkele tonnen tussen verdachte en [medeverdachte 1] en het tapgesprek over het “ [project 1] ” uit 2000 waarvoor tot op de dag van vandaag geen logische of geloofwaardige verklaring is gekomen.
Tot slot blijken in de computer van verdachte twee lijsten offertes van [bedrijf 2] met daarop “ [naam 1] ” te zijn gewist.
Hoewel voormelde bevindingen opmerkelijk zijn en in de richting van verdachte en zijn bedrijf wijzen, is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden van strafbare betrokkenheid van verdachte bij zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde. Nergens blijkt immers dat hij de wetenschap en/of het opzet had op het faciliteren van de invoer van cocaïne.