Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2015:9526

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 december 2015
Publicatiedatum
31 december 2015
Zaaknummer
C/13/598158 / KG ZA 15-1457
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming ex-partner uit woning door erfgenamen na overlijden zonder huwelijk

De zaak betreft een vordering van de moeder en zus van een overleden man die gezamenlijk zijn erfgenamen zijn, tegen de ex-partner van de overledene die de woning na diens overlijden zonder recht of titel blijft bewonen.

De erfgenamen hebben de ex-partner meerdere malen verzocht de woning te verlaten, onder meer via een verklaring van erfrecht en een opzeggingsbrief, maar deze heeft geweigerd te vertrekken. De ex-partner stelt dat hij met de overledene in het buitenland is getrouwd en dat het huwelijk per abuis niet is geregistreerd, waardoor hij aanspraak maakt op de woning.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat er een huwelijk of geregistreerd partnerschap bestond. De ex-partner heeft het gebruik van de woning om niet voortgezet, wat geen huurovereenkomst oplevert. De opzegging van het gebruiksrecht is rechtsgeldig en de erfgenamen hebben een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege hun verkoopplannen.

Daarom wordt de ex-partner veroordeeld om binnen veertien dagen de woning te ontruimen, met machtiging tot ontruiming met behulp van de sterke arm en veroordeling in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ex-partner wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen met machtiging tot ontruiming met behulp van de sterke arm.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/598158 / KG ZA 15-1457 MvdV/MRSB
Vonnis in kort geding van 30 december 2015
in de zaak van

1.[eiseres 1] ,

2.
[eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] (Frankrijk),
eiseressen bij dagvaarding van 7 december 2015,
advocaat mr. H.C. Bollekamp te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiseressen] (in meervoud) en [gedaagde] .

1.De procedure

Ter terechtzitting van 16 december 2015 hebben [eiseressen] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. [eiseressen] hebben stukken in het geding gebracht. [gedaagde] heeft ter zitting een aantal stukken aan [eiseressen] en de voorzieningenrechter getoond. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig mr. M.R. Meijer (hierna mr. Meijer), boedelnotaris, mr. Bollekamp en [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[eiseres 1] (eiseres sub 1) en [eiseres 2] (eiseres sub 2) zijn de moeder respectievelijk de zus van de op 21 januari 2013 overleden [naam overledene] (hierna [naam overledene] ). In een door mr. Meijer opgemaakte verklaring van erfrecht van 23 december 2013 staat dat [naam overledene] ten tijde van zijn overlijden niet gehuwd was noch afstammelingen heeft achtergelaten en dat volgens de wet [eiseressen] zijn erfgenamen zijn. [eiseressen] hebben de nalatenschap van [naam overledene] zuiver aanvaard.
2.2.
Tot de nalatenschap behoort een bedrijfsruimte en een bovengelegen woning op de tweede bouwlaag (hierna de woning) aan de Kerkstraat 376 te Amsterdam.
2.3.
[naam overledene] heeft vanaf 2007 tot zijn overlijden met [gedaagde] , met wie hij een affectieve relatie onderhield, in de woning gewoond. [gedaagde] heeft de bewoning na het overlijden van [naam overledene] om niet voortgezet.
2.4.
[eiseressen] zijn voornemens de bedrijfsruimte en de woning te verkopen. Mr. Meijer heeft [gedaagde] op verzoek van [eiseressen] bij brief van 23 december 2014 aangezegd dat hij de woning uiterlijk op 1 maart 2015 diende te verlaten. Bij de brief is een kopie van de verklaring van erfrecht gehecht. [gedaagde] heeft (bij herhaling) te kennen gegeven niet bereid te zijn de woning te verlaten.
2.5.
De raadsman van [eiseressen] heeft bij deurwaardersexploot van 24 augustus 2015 het gebruiksrecht van de woning (zo daarvan sprake is) opgezegd tegen 1 december 2015 en [gedaagde] gesommeerd de woning uiterlijk op 30 november 2015 te verlaten. [gedaagde] heeft aan die sommatie geen gehoor gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[eiseressen] vorderen samengevat - dat [gedaagde] wordt veroordeeld de woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen te ontruimen en geheel leeg en ontruimd te beschikking van [eiseressen] te stellen, met machtiging van [eiseressen] de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm en op kosten van [gedaagde] te doen bewerkstelligen. Ten slotte vorderen [eiseressen] dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
[eiseressen] leggen kort samengevat aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet met [naam overledene] was gehuwd noch een geregistreerd partnerschap met hem is aangegaan. [naam overledene] heeft geen testament opgemaakt. [eiseressen] zijn op grond van de wet als erfgenaam aangewezen en uit dien hoofde eigenaar van de woning waarin [gedaagde] verblijft. [gedaagde] huurt de woning niet. Voor zover sprake is van een gebruiksovereenkomst is deze overeenkomst met inachtneming van een redelijke opzegtermijn opgezegd tegen 1 december 2015 zodat [gedaagde] de woning thans zonder recht of titel bewoont en dient te verlaten. [eiseressen] hebben bij de gevorderde ontruiming een spoedeisend belang aangezien zij de woning en de daaronder gelegen bedrijfsruimte wensen te verkopen en de woning in lege staat meer zal opbrengen.
3.3.
[gedaagde] voert - kort samengevat - het volgende verweer. Hij heeft [naam overledene] in het buitenland leren kennen. Zij zijn op 26 juni 2007 naar Nederland gekomen en hier getrouwd. De gemeente heeft het huwelijk echter per abuis niet geregistreerd. [gedaagde] heeft een verzoek bij de gemeente ingediend (op basis van de Wet openbaarheid van bestuur) om de trouwakte boven water te krijgen. Als dat niet gebeurt zal hij de gemeente verzoeken de fout die is gemaakt zo spoedig mogelijk te herstellen. [gedaagde] maakt als echtgenoot van [naam overledene] aanspraak op de woning. Hij zal bij ontruiming op straat komen te staan. De gevorderde ontruiming is niet toewijsbaar.

4.De beoordeling

4.1.
In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat de uitkomst van een bodemprocedure wordt afgewacht.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] met [naam overledene] is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan als gevolg waarvan hij rechten op de nalatenschap kan doen gelden. De door [gedaagde] genoemde datum van 26 juni 2007 is blijkens de door hem ter zitting getoonde stukken de datum waarop hij een verblijfsvergunning heeft verkregen. Dat hij tevens op die dag of op enig ander moment met [naam overledene] is gehuwd is echter niet gebleken. Mr. Meijer heeft desgevraagd verklaard dat hij alvorens de verklaring van erfrecht op te maken in de registers van de burgerlijke stand heeft gecontroleerd of [naam overledene] gehuwd was of een geregistreerd partnerschap was aangegaan, hetgeen niet het geval was. Dat de gemeente het huwelijk tussen [naam overledene] en [gedaagde] per abuis niet zou hebben geregistreerd ligt niet voor de hand en daarvan kan dan ook voorshands zonder enig concreet bewijs niet worden uitgegaan. Voorshands dient derhalve tot uitgangspunt dat [gedaagde] en [naam overledene] niet op basis van een huwelijk of geregistreerd partnerschap hebben samengeleefd. Dat betekent dat [gedaagde] op grond van zijn relatie met [naam overledene] geen recht op de woning kan doen gelden. Hij heeft niet weersproken dat hij het gebruik van de woning na het overlijden van [naam overledene] om niet heeft voortgezet. Daarmee is aan de vereisten voor een huurovereenkomst niet voldaan. Voor zover ten slotte sprake mocht zijn van een gebruiksovereenkomst, is die schriftelijk opgezegd tegen 1 december 2015. [gedaagde] was in elk geval al sinds de brief van mr. Meijer van 23 december 2014 op de hoogte dat [eiseressen] voornemens waren de woning te verkopen en dat zij zich op het standpunt stelden dat hij geen aanspraak op de woning kon maken. In dat licht is de aan [gedaagde] verleende opzegtermijn van drie maanden voorshands niet onredelijk.
4.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de woning in elk geval sinds 1 december 2015 zonder recht of titel bewoont. Aannemelijk is dat bij deze stand van zaken een bodemrechter de vordering tot ontruiming zal toewijzen. Nu [eiseressen] bij toewijzing van hun vordering gelet op hun wens om de woning te verkopen een spoedeisend belang hebben, voldoet de vordering aan het hiervoor onder 4.1. genoemde criterium en is derhalve toewijsbaar. Daarbij komt de gevorderde ontruimingstermijn gelet op het voorgaande niet onredelijk voor.
4.4.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseressen] worden begroot op:
- dagvaarding € 95,82
- griffierecht 285,00
- salaris advocaat
816,00
Totaal € 1.196,82

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [plaats] met al de zijnen en het zijne te ontruimen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder kan worden bewerkstelligd met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalde;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] , indien hij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en [eiseressen] de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligen, aan [eiseressen] de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden begroot op € 1.196,82;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.R.S. Bacon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2015. [1]

Voetnoten

1.type: MRSB