Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2015:854

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2015
Publicatiedatum
19 februari 2015
Zaaknummer
13-752007-14 RK 14-7582 _
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLWArt. 139 section 1 Poolse Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens verstekvonnis zonder verzetgarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De verdachte werd verdacht van het ondergaan van een vrijheidsstraf die nog restte van twee jaar, waarvan nog één jaar, zeven maanden en negen dagen openstond.

Tijdens de procedure stelde de verdachte dat hij wel aanwezig was geweest bij de zitting in Polen en zijn verdediging had kunnen voeren, terwijl het EAB vermeldde dat hij verstek had laten gaan. De rechtbank stelde vast dat het vonnis een verstekvonnis betrof zonder dat de verdachte was geïnformeerd over zijn recht op verzet of hoger beroep, zoals vereist onder artikel 12 OLW Pro.

De rechtbank vroeg nadere informatie op bij de Poolse justitiële autoriteiten, maar ontving geen voldoende garanties dat de verdachte na overlevering correct geïnformeerd zou worden over zijn rechten. Daarom oordeelde de rechtbank dat de overlevering in strijd zou zijn met artikel 12 OLW Pro en weigerde zij de overlevering.

De overleveringsdetentie werd opgeheven en de uitspraak is direct uitvoerbaar, zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens het ontbreken van een verzetgarantie bij het verstekvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.752.007-14
RK nummer: 14/7582
Datum uitspraak: 3 februari 2015
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 november 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 oktober 2014 door
the District Court, delegated to the Circuit Court in Gliwice, 5th Penal Division based in Rybnik(Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentie adres];
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 januari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft (en niet zoals abusievelijk in het proces-verbaal staat vermeld mr. N. van Ditzhuijzen).
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M. Bijleveld, advocaat te Hoofddorp en door een tolk in de Poolse taal.
Op deze zitting is onder meer een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, aangezien er onduidelijkheid is over de vraag of de opgeëiste persoon ter terechtzitting in Polen aanwezig is geweest. De officier van justitie is in de gelegenheid gesteld op dit punt nadere vragen aan de Poolse justitiële autoriteit te stellen, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting.
Op 3 februari 2015 is de behandeling van de vordering voortgezet. Opnieuw zijn de officier van justitie mr. K. van der Schaft en de opgeëiste persoon gehoord. De opgeëiste persoon is daarbij bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the District Court of Wodzisław Śląski van 26 augustus 2008 met zaaknummer VI K 1447/07.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert één jaar, zeven maanden en negen dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt het volgende vast:
Het EAB onder D vermeldt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de behandeling ter zitting die tot de beslissing heeft geleid, maar dat hij in persoon is gedagvaard op 23 juli 2008.
Daarentegen heeft de opgeëiste persoon bij zijn verhoor op 19 november 2014 tegenover de officier van justitie verklaard dat hij op de zitting is geweest en zijn verdediging heeft kunnen voeren. Bovendien heeft hij verklaard dat hij gedetineerd zat tot de eerste zitting.
Een en ander heeft er toe geleid dat het IRC Amsterdam bij brief van 15 december 2014 nadere vragen heeft gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Bij brief van 1 februari 2015 heeft de Circuit Court te Gliwice geantwoord dat de dagvaarding op grond van artikel 139 section Pro 1 van het Poolse Wetboek van Strafvordering is verzonden en dat de betekening dus niet in persoon heeft plaatsgevonden. Een door de rechtbank toegevoegd raadsman heeft namens de opgeëiste persoon de verdediging gevoerd. De opgeëiste persoon heeft niet gedetineerd gezeten tijdens de (aanvang van de) procedure, aldus de informatie in de brief.
Op 6 januari 2015 heeft de raadsman verzocht de overlevering te weigeren nu het ervoor gehouden moet worden dat het vonnis bij verstek is gewezen, waarbij de opgeëiste persoon recht heeft op een verzetgarantie. Deze garantie is niet verstrekt.
De officier van justitie heeft primair gevorderd de zaak aan te houden voor het stellen van vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon ter terechtzitting in Polen en subsidiair heeft hij de weigering van de overlevering gevorderd.
De rechtbank heeft de behandeling vervolgens geschorst om de officier van justitie de kans te geven deze informatie in te winnen.
Op de zitting van 3 februari 2015 heeft de officier van justitie verklaard dat hij, ondanks herhaald en recent rappel, geen antwoord op de door het IRC nader gestelde vragen heeft ontvangen en dat zijn conclusie is dat overlevering in strijd is met het in artikel 12 OLW Pro bepaalde. Hij heeft gevorderd de overlevering te weigeren.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW Pro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een dergelijke garantie niet gegeven.
Dit leidt er toe dat de overlevering geweigerd dient te worden.
Gelet op de te nemen beslissing kunnen de overige gevoerde verweren onbesproken blijven.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

10.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court, delegated to the Circuit Court in Gliwice, 5th Penal Division based in Rybnik(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
HEFT OPde overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. J.O. Rutten, voorzitter,
mrs. M. van Mourik en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman en R. Rog, griffiers,
en direct uitgesproken ter openbare zitting van 3 februari 2015.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.