ECLI:NL:RBAMS:2015:6384
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek Europese procedure geringe vorderingen wegens ontbreken grensoverschrijdend karakter
Een inwoner van Amsterdam gaf begin mei 2014 een lakenpakket af bij een stomerij in Amsterdam, dat zoekraakte. De stomerij vergoedde de schade niet. De vordering tot schadevergoeding werd door de oorspronkelijke schuldeiser overgedragen aan een zus die in Duitsland woont. Vervolgens diende de gemachtigde van deze zus een verzoek in op grond van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Vo).
De rechtbank oordeelde dat de zaak geen grensoverschrijdend karakter heeft zoals vereist in de verordening, omdat de vordering pas na een jaar werd gecedeerd en de feitelijke situatie zich volledig in Nederland afspeelt. De cessie werd gezien als een juridische kunstgreep om de Europese procedure te kunnen starten, wat als misbruik van procesrecht werd aangemerkt.
Het beroep op een voorstel van de Europese Commissie om het begrip 'grensoverschrijdende zaak' te verruimen, slaagde niet omdat alle relevante elementen zich in Nederland bevinden. Ook was geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, waarbij werd benadrukt dat de eiser nog steeds via een gewone dagvaardingsprocedure zijn vordering kan instellen.
Uitkomst: Het verzoek op grond van de Europese procedure voor geringe vorderingen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een grensoverschrijdende zaak.