Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2015 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank (SVB), verweerder
Procesverloop
Overwegingen
de gewezen verzekerde die is uitgezonden om werkzaamheden te verrichten voor een organisatie voor ontwikkelingssamenwerking”. Uit deze tekst blijkt niet dat sprake moet zijn van een werkgever-werknemer relatie. Dit blijkt evenmin uit de tekst van artikel 1 eerste Pro lid, aanhef en onder b, van de Regeling waarbij als organisaties voor ontwikkelingssamenwerking als bedoeld in artikel 35, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW worden aangewezen de religieuze instituten en overige organisaties die missionarissen en ontwikkelingswerkers uitzenden voor zover deze zijn aangesloten bij de EZA. Ook in deze bepaling staat het woord “uitzenden” centraal, en is niet bepaald dat de uitzendende organisatie als werkgever van de missionaris moet optreden. Ook uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel inzake herziening van de vrijwillige verzekering voor de AOW en ANW (TK, 2000-2001, 27 468, nr. 3) leidt de rechtbank niet af dat sprake moet zijn van een arbeidsrelatie tussen een werkgever en een werknemer. Uit de Memorie van Toelichting blijkt weliswaar dat een verband is gelegd met de in het Besluit afwijkende regels beperking export uitkeringen genoemde personen die werkzaamheden in het algemeen belang verrichten, maar de conclusie van verweerder dat de wetgever het begrip uitzending zoals vermeld in artikel 1 van Pro het Besluit Export Uitkeringen onlosmakelijk verbonden acht met de begrippen werkgever en arbeidsrelatie onderschrijft de rechtbank niet. In de Memorie van Toelichting bij artikel 35, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is immers niet nader toegelicht wanneer er sprake is van uitzending door een ontwikkelingsorganisatie.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften dient te nemen binnen 6 weken na dagtekening van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 90,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.