4.3.2Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 maart 2010 te Amsterdam en/of Zaandam, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie welke werd gevormd door hem,
verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,
namelijk
-
mensenhandel, als bedoeld in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, bestaande die mensenhandel uit
o
het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van vrouwen, te weten: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] , werkzaam in de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ en
-
valsheid in geschrifte, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij die valsheid bestond uit het valselijk opmaken van geschriften die betrekking hadden op de exploitatie van en/of vergunningen voor kamerverhuurbedrijf ' [kamerverhuurbedrijf 1] ’ te weten:
o
de ‘aanvraag vergunningen horecabedrijf /prostitutiebeleid’ op naam van [medeverdachte 3] betreffende de percelen [adressen] d.d. 6 december 2006 en
o
de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 18 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een eenmanszaak naar een Vennootschap onder Firma (met vennoten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) werd omgezet en
o
de inschrijving bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee de rechtsvorm van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] van een Vennootschap onder Firma (met vennoten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ) werd omgezet naar een eenmanszaak, waarbij [medeverdachte 2] werd geregistreerd als eigenaar en
o
de inschrijving (met terugwerkende kracht) bij de Kamer van Koophandel met ingang van 19 september 2009, waarmee als eigenaar van Kamerverhuur [kamerverhuurbedrijf 1] [medeverdachte 3] werd geregistreerd en
o
de jaarrekening van ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ over het jaar 2009 en
o
de ‘aanvullende aanvraagformulieren Natuurlijke Personen voor de prostitutiebranche (inclusief Bibob-vragen)’ op naam van [medeverdachte 2] betreffende de percelen [adressen] d.d. 10 januari 2010 en
o
de overeenkomst “Overdracht onderneming [kamerverhuurbedrijf 1] ” d.d. 20 januari 2010 en
-
gewoonte witwassen, als bedoeld in artikel 420bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders geldbedragen, te weten huurbedragen ten behoeve van de werkkamers van kamerverhuurbedrijf ‘ [kamerverhuurbedrijf 1] ’ verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat deze geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
4.3.3Nadere bewijsoverwegingen
4.3.3.1 Ten aanzien van de verweren strekkende tot bewijsuitsluiting
De rechtbank ziet geen aanleiding de door de verdediging genoemde verklaringen uit te sluiten van het bewijs.
De door de verdediging aangevoerde onregelmatigheden bij (de verslaglegging van) de politieverhoren zijn reeds besproken in het kader van het (grotendeels) op dezelfde grondslag gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Gelet op hetgeen de rechtbank in dat kader heeft overwogen, bestaat evenmin aanleiding tot uitsluiting van het bewijs van de door de verdediging genoemde politieverklaringen op voormelde grondslag.
Voor categoriale uitsluiting van het bewijs van verklaringen van horen zeggen ziet de rechtbank, anders dan de verdediging, evenmin aanleiding aangezien geen enkele rechtsregel zich tegen het gebruik daarvan verzet.
Ten aanzien van het gebruik van deze verklaringen zal de rechtbank de vereiste behoedzaamheid in acht nemen.
Tot slot geldt ten aanzien van de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en
[getuige 5] dat deze getuigen niet door de verdediging zijn ondervraagd. Het horen van voornoemde [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] bij de rechter-commissaris is niet gelukt. Ten aanzien van [getuige 2] geldt dat de verdediging zowel bij de rechter-commissaris (op 19 november 2010) als ter terechtzitting (op 28 mei 2015) wel in de gelegenheid gesteld deze getuige te ondervragen. Doordat de getuige bij voormelde gelegenheden een beroep heeft gedaan op haar verschoningsrecht heeft de verdediging haar ondervragingsrecht echter niet daadwerkelijk kunnen uitvoeren. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer heeft te gelden dat de verklaringen van voormelde getuigen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank zal ten aanzien van de door deze getuigen afgelegde verklaringen als uitgangspunt hanteren dat daarvan zo nodig slechts gebruik wordt gemaakt voor het bewijs als die verklaringen, meer in het bijzonder de door de verdediging betwiste onderdelen daarvan, in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
4.3.3.2 Bewijsoverwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende (onbetwiste) feiten vast.
[verdachte] en [medeverdachte 1] (hierna ook: [verdachte en medeverdachte 1] ) waren in de periode van belang respectievelijk eigenaar van en barman/bedrijfsleider in café [café naam] (later genaamd [café naam] of [café naam] ) gevestigd op de [adres 1] in Amsterdam. Verder werden in de periode van belang via het bedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] , gevestigd op de [adres 2] , acht werkkamers (op de [adressen] , steeds twee ramen per huisnummer) verhuurd aan prostituees, onder wie de in de tenlastelegging vermelde vrouwen [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Zes werkkamers, op de [adressen] , lagen tegenover café [café naam] en twee werkkamers, op de [adres 3] , lagen nagenoeg naast het café.
In 1998 had [verdachte] (een deel van) voormelde kamers in de [adressen] verhuurd aan prostituees. Bij besluit van 24 december 1998 is hem door de Burgemeester van Amsterdam echter de vereiste gedoogbeschikking geweigerd omdat bij controle een minderjarige was aangetroffen in één van de werkkamers. [medeverdachte 3] stond vanaf 8 april 2004 gedurende het grootste deel van de periode van belang geregistreerd als eigenaar van (eenmanszaak) [kamerverhuurbedrijf 1] en de vereiste exploitatievergunning stond op zijn naam. Hij had het bedrijf ‘ [bedrijf] ’ overgenomen [naam] . [medeverdachte 2] was sinds 2003 werkzaam voor [kamerverhuurbedrijf 1] als beheerder. Hij zou het bedrijf op 19 september 2009 ‘ [bedrijf] ’ overnemen van [medeverdachte 3] . Tijdens de doorzoeking van het adres [adres 2] , het kantoor van [kamerverhuurbedrijf 1] én de woning van [medeverdachte 2] , op 9 maart 2010, zijn administratieve bescheiden op naam van café bar [café naam] en op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] aangetroffen. Tijdens de huiszoeking op 20 april 2010 zijn op het woonadres te Zaandam van [verdachte] administratieve bescheiden aangetroffen die betrekking hebben op [kamerverhuurbedrijf 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] . Op het adres van de bar en de etage erboven zijn tijdens de huiszoeking eveneens administratieve bescheiden op naam van [kamerverhuurbedrijf 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] aangetroffen. Uit deze administratieve bescheiden blijkt onder meer dat er regelmatig met geld van [kamerverhuurbedrijf 1] betalingen werden gedaan ten behoeve van café [café naam] . Ook gingen er regelmatig contante geldbedragen van [kamerverhuurbedrijf 1] naar [medeverdachte 1] en [verdachte] als privépersonen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verder activiteiten verricht in het kader van verbouwing/opknappen van voormelde werkkamers. Ook schoot [medeverdachte 1] te hulp als prostituees lastige klanten hadden.
Uit voormelde feiten blijkt een bepaalde verwevenheid tussen café [café naam] , [verdachte] en [medeverdachte 1] enerzijds en [kamerverhuurbedrijf 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] anderzijds. Gelet op het ten laste gelegde is de centrale vraag hoe die verwevenheid, bezien in het licht van het dossier, —moet worden geduid. De verdediging heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat sprake was van het als goede buren over en weer verrichten van vriendendiensten. De officier van justitie is tot de conclusie gekomen dat ten aanzien van het bedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] sprake was van ‘schijnbeheer’; feitelijk exploiteerden [verdachte en medeverdachte 1] naast café [café naam] ook [kamerverhuurbedrijf 1] en
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] fungeerden in [kamerverhuurbedrijf 1] slechts als stromannen en waren ondergeschikt aan [verdachte en medeverdachte 1] .
De rechtbank is van oordeel dat het dossier en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat [verdachte en medeverdachte 1] in werkelijkheid het kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] exploiteerden. Naast de hiervoor genoemde feiten is daarbij het volgende van belang.
Uit opgenomen telefoongesprekken volgt dat [verdachte en medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] instructies gaven in het kader van de kamerverhuur, bijvoorbeeld wat betreft het schoonmaken van de kamers en het installeren van een cv-ketel in één van de kamers. Verder besprak [verdachte] met de boekhouder zaken met betrekking tot [kamerverhuurbedrijf 1] . Ook werden bij [verdachte en medeverdachte 1] thuis en in (het kantoor van) café [café naam] vele administratieve bescheiden en digitale bestanden aangetroffen met betrekking tot [kamerverhuurbedrijf 1] .
Verder duidt de overname ‘ [bedrijf] ’ van het kamerverhuurbedrijf door [medeverdachte 3] en
de (geplande) overname ‘ [bedrijf] ’ door [medeverdachte 2] erop dat voormelde personen
slechts op papier eigenaar werden van het bedrijf. Niet aannemelijk is dat bij een
daadwerkelijke overname van een dergelijk winstgevend bedrijf geen overnamesom zou
hoeven worden betaald. In dit kader merkt de rechtbank op dat bij een volledige kamerbezetting, waarvan volgens verdachten overigens niet steeds sprake was, een omzet kon worden behaald van bijna 50.000 euro per maand. Ook de verklaring van de moeder van [medeverdachte 3] , die uit bezorgdheid over haar zoon op enig moment navraag heeft gedaan bij [verdachte] , duidt er op dat [medeverdachte 3] door [verdachte en medeverdachte 1] werd gebruikt als stroman. Overigens volgt uit haar verklaring ook dat haar zoon niet in staat zou zijn een kamerverhuurbedrijf te runnen. Bovendien is gebleken dat [medeverdachte 3] in de jaren 2004 en 2005, naast zijn werk voor [kamerverhuurbedrijf 1] ook een volledig dienstverband had bij een pannenkoekenhuis ( [Pannenkoekenhuis] ), wat er op wijst dat de inkomsten uit de kamerverhuur niet naar [medeverdachte 3] gingen. Daar komt nog bij dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de geldbedragen die blijkens de door [medeverdachte 2] opgestelde bezettings –en uitgavenoverzichten van [kamerverhuurbedrijf 1] aan
[verdachte] en [medeverdachte 1] (persoonlijk) werden betaald, leningen waren die werden afbetaald, zoals de verdediging heeft gesteld. Ook van belang is dat [verdachte] sinds 1998 de kamers van [kamerverhuurbedrijf 1] enige tijd exploiteerde, maar vanwege het aantreffen van een minderjarige prostituee in één van de werkkamers hem de vereiste bestuursrechtelijke gedoogverklaring werd geweigerd. Hieruit kan worden afgeleid dat [verdachte] de intentie had prostituees werkkamers te verhuren, en een stroman heeft ingeschakeld omdat hij dat niet meer onder zijn eigen naam kon doen. Gelet op het voorgaande bezien in samenhang met verklaringen van verschillende getuigen dat [verdachte en medeverdachte 1] het daadwerkelijk voor het zeggen hadden in het kamerverhuurbedrijf en de opbrengsten daarvan genoten, is de rechtbank van oordeel dat het [verdachte en medeverdachte 1] waren die [kamerverhuurbedrijf 1] daadwerkelijk exploiteerden. Verdachte, noch zijn medeverdachten hebben aannemelijk kunnen maken dat al deze bevindingen slechts moeten worden gezien in het licht van een vriendschappelijke relatie die men als goede buren met elkaar onderhoudt. Evenmin hebben zij (met stukken) aannemelijk gemaakt dat gezamenlijke contacten met de boekhouder slechts betrekking hadden op het zakelijke plan van [verdachte en medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] om met elkaar de verderop gelegen [bar] te kopen.
Uit het voorgaande volgt dat [verdachte en medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gezamenlijk betrokken waren bij kamerverhuurbedrijf [kamerverhuurbedrijf 1] . [verdachte en medeverdachte 1] hadden hierbij leidinggevende rollen. [medeverdachte 3] heeft zijn medewerking verleend, met name door het bedrijf en de vereiste vergunning op zijn naam te laten zetten. Daarnaast verrichte hij, al dan niet in opdracht van [medeverdachte 2] , werkzaamheden in het kader van de verhuur van de kamers. [medeverdachte 2] verrichtte onder leiding van [verdachte en medeverdachte 1] werkzaamheden als beheerder van de kamers, en hield de administratie bij. In 2009 en 2010 heeft hij zich ook bereid getoond het bedrijf (mede) op zijn naam te zetten.
Bovenomschreven samenwerking tussen [verdachte en medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kan
naar het oordeel van de rechtbank gelet op de vastgestelde rollen worden aangemerkt als gestructureerd en, gelet op de jarenlange samenwerking, als duurzaam. Nu de strafbare ‘schijnconstructie’ die als het misdrijf valsheid in geschrifte nader is omschreven in de tenlastelegging, ten grondslag lag aan de samenwerking, die samenwerking in stand heeft gehouden en jaren heeft voortgeduurd, is het oogmerk op het plegen van dat misdrijf door de organisatie gegeven. Gelet op het voorgaande is sprake van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en zijn verdachte en zijn medeverdachten daaraan de deelnemers gezien hun respectievelijke rollen in deze samenwerking.
Ten aanzien van alle deelnemers geldt voorts dat zij ondersteunende gedragingen hebben verricht ten aanzien van het innen (en weer in omloop brengen) van de (opbrengsten van de) kamerverhuur, wat het misdrijf witwassen oplevert. De inkomsten werden immers verkregen door middel van voormelde ‘schijnconstructie’, en waren daarmee afkomstig uit het misdrijf valsheid in geschrifte. Dat de organisatie het oogmerk had op het plegen van mensenhandel ten aanzien van de vier met name genoemde vrouwen, in de zin van het opzettelijk voordeel trekken van de uitbuiting van de vrouwen, kan eveneens worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de vier vrouwen werden uitgebuit door [getuige 2] gedurende de periode dat zij kamers huurden bij [kamerverhuurbedrijf 1] en dat tenminste [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten van de uitbuiting. Zij hebben zich dus schuldig gemaakt aan mensenhandel door voordeel te trekken uit de uitbuiting van de vrouwen. Overigens hebben zij dit niet slechts gedaan door huur van de vrouwen te innen, maar ook door (betaalde) seks met hen te hebben. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet is vereist dat alle deelnemers aan de criminele organisatie deelnemen aan de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk heeft. Evenmin is vereist dat alle deelnemers enige vorm van opzet hadden op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven. Voor zover ten aanzien van [verdachte] en [medeverdachte 3] moet worden geconcludeerd dat zij niet hebben deelgenomen aan voormelde mensenhandel en evenmin enig opzet hadden op dit beoogde misdrijf, staat dit niet in de weg aan bewezenverklaring van hun deelname aan de criminele organisatie.