Op 19 juli 2014 heeft verdachte te Amsterdam geprobeerd haar kind van het leven te beroven door met kracht haar handen op de mond en keel van het kind te drukken. Getuigenverklaringen en een letselrapport bevestigen het gebruik van insnoerend geweld, passend bij de poging tot doodslag.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had vanwege een psychose en dat het letsel mogelijk op een ander moment was ontstaan. De rechtbank verwierp dit verweer op basis van getuigenverklaringen en het letselrapport, die duidelijk maken dat het geweld tijdens het bewezen geachte tijdstip heeft plaatsgevonden.
Een gedragskundig onderzoek concludeerde dat verdachte ten tijde van het feit leed aan een kortdurende psychose, waardoor zij geen controle had over haar gedrag en haar keuzes werden aangestuurd door psychotische belevingen. Hierdoor is zij ontoerekeningsvatbaar.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde bewezen, sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en ontsloeg haar van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters op 1 april 2015.