ECLI:NL:RBAMS:2015:290

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2015
Publicatiedatum
26 januari 2015
Zaaknummer
13.751294-14
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWartikel 22 OLWartikel 23 OLWartikel 29 OLWartikel 2 Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering naar Polen voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen wegens gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Poolse persoon aan Polen op basis van twee onherroepelijke vonnissen tot vrijheidsstraffen van elk 1,5 jaar. De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten die in Polen waren begaan. De procedure omvatte meerdere openbare zittingen waarbij de verdachte werd bijgestaan door advocaten en een Poolse tolk.

De officier van justitie stelde dat de voorwaarden voor gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander volgens artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet (OLW) waren vervuld. Dit leidde ertoe dat de overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, OLW. De verdachte zou Polen ontvlucht zijn om straf te ontlopen, maar Nederland was bereid de straffen over te nemen.

De rechtbank concludeerde dat de opgeëiste persoon inderdaad gelijkgesteld kon worden met een Nederlander, waardoor de wettelijke weigeringsgrond van toepassing was. Dit maakte dat de overlevering werd geweigerd en het geschorste bevel tot overleveringsdetentie werd opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen wegens gelijkstelling met een Nederlander.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751294-14 (EAB I)
RK nummer: 14/2298
Datum uitspraak: 13 januari 2015
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 april 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 september 2009 door de
Circuit Law Court in Swidnica(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA-Adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 10 juni 2014, 1 juli 2014 en
13 januari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie.
De opgeëiste persoon heeft zich op voormelde zittingen doen bijstaan door zijn raadslieden – op de zitting van 10 juni 2014 door mr. B.A.C. van Tuinen en op de andere zittingen door
mr. J. Kuijper, beiden advocaat te Amsterdam – en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen eerst met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege de aanhoudingen van de zaak niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde (verlengde) termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
enforceable judgement by District Law Court of Swidnicavan 17 februari 2004
(file reference number: II K 777/03).
De overlevering wordt verzocht in de eerste plaats ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
In het EAB wordt ook melding gemaakt van een
enforceable judgement by District Law Court of Swidnica van 31 mei 2004 (file reference number: VI K 156/04).
De overlevering wordt verzocht in de tweede plaats ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar en 6 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Artikel 6 van Pro de OLW

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, die zijn gesteld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW.
Verder heeft de officier van justitie het volgende opgemerkt. Overname van de straffen door Nederland is in dit geval mogelijk. Gebleken is namelijk dat de opgeëiste persoon Polen is ontvlucht om zijn straffen te ontlopen en daarom is artikel 2 van Pro het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Straatsburg, 18 december 1997) van toepassing. De Poolse autoriteiten hebben te kennen gegeven de tenuitvoerlegging van de straffen aan Nederland over te zullen dragen. Verder heeft de Nederlandse afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) te kennen gegeven de overdracht van de straffen af te willen handelen. Het IOS heeft daarbij de kanttekening geplaatst dat het Hof te Arnhem in het kader van de strafoverdracht nog zal moeten vaststellen dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk Polen is ontvlucht. De officier van justitie heeft het gelet op het voorgaande aannemelijk geacht dat de opgeëiste persoon niet straffeloos zal blijven als zijn overlevering wordt geweigerd.
Het voorgaande heeft de officier van justitie tot de slotsom gebracht dat in dit geval de overlevering moet worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW in combinatie met artikel 6, tweede lid, van de OLW.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de OLW in combinatie met artikel 6, tweede lid, van de OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, die zijn gesteld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW.
Gelet hierop is de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, van de OLW van toepassing.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat een weigeringsgrond aan de overlevering in de weg staat, dient de overlevering te worden geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 6 van Pro de OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Circuit Law Court in Swidnica(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
HEFT OPhet geschorste bevel tot overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en P. Rodenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2015.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.