ECLI:NL:RBAMS:2015:2517

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2015
Publicatiedatum
1 mei 2015
Zaaknummer
AMS 14-4661
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:41, eerste lid, AwbArt. 8:41, tweede lid, AwbArt. 8:41, zesde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet betalen griffierecht ondanks beroep op betalingsonmacht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin bestuursdwang werd toegepast door het wegslepen van zijn voertuig. De rechtbank heeft eiser meerdere malen verzocht het griffierecht te betalen. Eiser stelde betalingsonmacht, maar heeft dit niet tijdig en onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank heeft beoordeeld of eiser door het niet betalen van het griffierecht in verzuim is geweest. Ondanks dat eiser een verklaring inzond over zijn financiële situatie, ontbraken relevante stukken over de periode waarin het griffierecht betaald had moeten worden. Bovendien bleek uit de verklaring dat eiser beschikte over een auto en een woning en inkomsten uit kluswerkzaamheden, waardoor het beroep op betalingsonmacht niet aannemelijk werd geacht.

Gelet hierop is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht en onvoldoende onderbouwing van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 14/4661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2015 in de zaak tussen

[naam persoon], te [woonplaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: mr. R.J.M. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder bestuursdwang toegepast door het voertuig van eiser met kenteken [nummer kenteken] weg te slepen.
Bij besluit van 19 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 27 januari 2015 geschorst. Bij brief van
25 februari 2015 heeft de rechtbank aan eiser meegedeeld dat op de vervolgzitting allereerst aan de orde zal worden gesteld de (tijdige) betaling van het griffierecht. Bij brief van 10 maart 2015 heeft eiser zijn beroep gedaan op betalingsonmacht.
De rechtbank heeft het onderzoek op 26 maart 2015 hervat. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Eiser is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de zitting zijn beroep op betalingsonmacht met een eigen verklaring en stukken te onderbouwen. De rechtbank heeft op 9 april 2015 een reactie van eiser ontvangen. Verder heeft de rechtbank (buiten de gestelde termijn) op 10 april 2015 een uittreksel uit de basisregistratie personen ontvangen en op 13 april 2015 nog een emailbericht van het oude bankkantoor van eiser in [woonland].

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van het beroepschrift door de griffier een griffierecht geheven. In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat het beroep niet- ontvankelijk wordt verklaard indien het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie is gestort binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de griffier op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen. Niet-ontvankelijk verklaring van het beroep blijft achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
2. Op 9 december 2014 is eiser in kennis gesteld van de hoogte van het griffierecht en in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen binnen een termijn van vier weken. Bij rappelbrief van 7 januari 2015 is aan eiser meegedeeld dat het griffierecht binnen vier weken (dus uiterlijk op 4 februari 2015) moet zijn overgemaakt. De rechtbank stelt vast dat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan.
3. Eiser stelt dat hij het griffierecht niet kan betalen. De rechtbank vat dit beroep op als een beroep op betalingsonmacht, hetgeen er overeenkomstig de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 13 februari 2015 ECLI:NL:CRVB: 2015:282 toe zou moeten leiden dat wordt aangenomen dat de eiser met het achterwege laten van de betaling van het griffierecht niet in verzuim is als bedoeld in artikel 8:41, zesde lid, van de Awb en niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege blijft.
4. In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het Bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat echter onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang, zie de voornoemde uitspraak van de Raad van 13 februari 2015.
5. Een rechtzoekende die een beroep op betalingsonmacht wenst te doen, dient dit zo spoedig mogelijk maar in elk geval voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn kenbaar te maken aan het gerecht. In de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015 is bepaald dat in zaken waarin dat uiterste tijdstip op de dag waarop deze uitspraak is gedaan reeds is verstreken en niet-ontvankelijkheidsverklaring vanwege het niet (tijdig) betalen van het verschuldigde griffierecht is of wordt uitgesproken, ook nog uiterlijk in verzet door de rechtzoekende kan worden aangevoerd dat hij over onvoldoende inkomen en vermogen beschikt.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet voor het einde van de door de griffier gestelde betalingstermijn een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank zal eiser dit niet tegenwerpen omdat de uiterste betaaltermijn in deze zaak al was verlopen voor de uitspraak van de Raad. De rechtbank zal derhalve conform de uitspraak van de Raad van 13 februari 2015 beoordelen of eiser in verzuim is.
6. Eiser stelt in [woonland] woonachtig te zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank eiser in de gelegenheid gesteld deze stelling te onderbouwen en (conform rechtsoverweging 3.9 van meergenoemde uitspraak van de Raad) een eigen verklaring omtrent de afwezigheid van zijn vermogen en zijn eventuele fiscale partner af te leggen. De rechtbank heeft op 9 april 2015 een reactie van eiser ontvangen waarin hij zijn financiële situatie uiteenzet en de rechtbank verzoekt zijn beroep op betalingsonmacht te honoreren. Op 10 april 2015, buiten de termijn, heeft eiser een uittreksel uit de basisregistratie personen ingediend waaruit blijkt dat eiser tot 15 oktober 2004 inwoner van Nederland was. In aansluiting op de eigen verklaring van eiser heeft de rechtbank op 13 april 2015 nog een email ontvangen waaruit volgens eiser zou blijken dat zijn bankrekening in [woonland] in 2012 is opgeheven met saldo 0.
7. De rechtbank stelt voorop dat de periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld aanvangt nadat eiser voor de eerste maal op de verschuldigdheid van griffierecht is gewezen en eindigt op de datum dat het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort. De rechtbank stelt vast dat eiser geen stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op de hiervoor bedoelde periode. De op 13 april 2015 overgelegde email heeft immers betrekking op 2012. Eiser heeft verder geen stukken overgelegd die zijn eigen verklaring over zijn financiële situatie onderbouwen. De rechtbank ziet bovendien in de op 9 april 2015 ontvangen verklaring van eiser over zijn financiële situatie aanknopingspunten om te betwijfelen of eiser in de periode van belang met succes een beroep op betalingsonmacht kan doen. In deze verklaring heeft eiser namelijk vermeld dat hij in het bezit is van een auto en een spoorweghuisje in [woonland] en dat hij in 2015 diverse kluswerkzaamheden bij kennissen/vrienden heeft uitgevoerd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser geen geld heeft ontvangen voor deze werkzaamheden, nu eiser over voorgaande jaren in dezelfde verklaring expliciet heeft vermeld geld te genereren onder andere door het verrichten van kluswerkzaamheden voor vrienden en kennissen in Nederland.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser door het niet betalen van het griffierecht, niet in verzuim is geweest. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Kruit, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2015.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.