Op 17 maart 2015 heeft de rechtbank Amsterdam verdachte veroordeeld voor drie feiten: diefstal van een tas van een persoon, poging tot diefstal van een andere tas en het illegaal verblijf als ongewenst vreemdeling in Nederland. Verdachte werd nauwkeurig geobserveerd tijdens de feiten en het bewijs bestond uit getuigenverklaringen en observaties van het doelgroepenteam.
De verdediging voerde aan dat verdachte ten tijde van zijn aanhouding rechtmatig in Nederland verbleef op grond van een registratiekaart die een meldingsplicht inhield, en dat er geen sprake was van een voltooide diefstal of oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening bij het tweede feit. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat de registratiekaart slechts een meldingsplicht inhield en dat verdachte zich de tassen daadwerkelijk had toegeëigend.
Verder werd het verweer van de verdediging dat verdachte niet vervolgd mocht worden wegens het niet kunnen vertrekken uit Nederland buiten zijn schuld verworpen. De rechtbank stelde vast dat de terugkeerrichtlijnprocedure volledig was doorlopen en verdachte actief zijn vertrek had gefrustreerd. De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest, en gelastte de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.