Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 22 januari 2014, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- het proces-verbaal van comparitie van 29 april 2014 en de in dit proces-verbaal genoemde (proces)stukken;
- de akte in reconventie tevens houdende uitdrukkelijk verzoek tot het in het geding mogen brengen van nadere producties van 11 juni 2014, genomen door Riha met producties;
- de antwoordakte van Capri Sun van 25 juni 2014;
- de antwoordakte ‘akte uitlating productie 14 Riha Wesergold’.
2.De feiten
”en de codering 03.03 staat voor “
small non-cylindrical or non-elliptical containers”.
3.Het geschil
in conventie
- primair: de merkinschrijving van Capri Sun niet voldoet aan de eisen van artikel 2.1 lid 1 BVIE;
- subsidiair: het teken de wezenlijke waarde van de waar aangeeft, althans
- meer subsidiair: het merk onderscheidend vermogen mist, en
- uiterst subsidiair: de vorm van Capri Sun Sta-zakjes in het bonafide handelsverkeer gebruikelijk is geworden.
4.De beoordeling
- een klein sta-zakje;
- met een specifieke rechthoekige vorm, waarbij de breedte korter is dan de hoogte;
- met rechte smalle lasnaden aan de bovenzijde en de beide zijkanten.
- met een bolling aan de onderkant (buikje);
- dat taps toeloopt (smal aan de onderkant, breed aan de bovenkant);
- Partijen zijn het er kennelijk over eens dat het reflecterende uiterlijk van het Sta-zakje een kenmerk van de zichtbare merkinschrijving is, waarvan beoordeeld dient te worden of dit technisch bepaald is. Zij hebben daar uitvoerig over gedebatteerd. De rechtbank zal daarom dit element in de beoordeling meenemen.