Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Beslissing
spreekt verdachte daarvan vrij.
Rechtbank Amsterdam
Op 24 augustus 2014 werd verdachte aangehouden in de buurt van een woning waar kort daarvoor een poging tot inbraak had plaatsgevonden. Verdachte en een medeverdachte werden gezien op een snorfiets nabij de plaats delict. Bij verdachte werden handschoenen en een bouwsleutel aangetroffen, en in de snorfiets van de medeverdachte diverse gereedschappen die mogelijk bij inbraak konden worden gebruikt.
De officier van justitie stelde dat het zwijgen van verdachte over zijn aanwezigheid redengevend was voor bewijs van betrokkenheid. De verdediging bepleitte vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het zwijgen van verdachte niet zonder meer als bewijs kan dienen en dat het signalement waarop de aanhouding was gebaseerd te weinig specifieke kenmerken bevatte om verdachte te linken aan de poging tot woninginbraak.
Gezien de omstandigheden en het onvoldoende specifieke signalement achtte de rechtbank het ten laste gelegde feit niet bewezen. Verdachte werd daarom vrijgesproken. Tevens werd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard en werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen omdat niet was gebleken dat verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot woninginbraak wegens onvoldoende bewijs en onvoldoende specifiek signalement.