ECLI:NL:RBAMS:2014:8197

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2014
Publicatiedatum
4 december 2014
Zaaknummer
C-13-570256 - HA RK 14-226
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 186 lid 1 RvArt. 187 lid 1 RvArt. 93 aanhef en onder c RvArt. 94 lid 2 RvArt. 71 lid 2 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en verwijzing naar kantonrechter in arbeidsgeschil

Vision Gallery B.V. heeft bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 186 lid 1 Rv Pro. Het verzoek betreft vermoedelijke tekortkomingen en onrechtmatig handelen door twee voormalig werknemers, waaronder schending van non-concurrentie- en geheimhoudingsafspraken.

De rechtbank beoordeelde dat de zaak onder andere een arbeidsovereenkomst betreft en dat op grond van de toepasselijke procesregels de kantonrechter bevoegd is om de zaak te behandelen. Daarom werd het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor aan de kantonrechter verwezen.

Tijdens de mondelinge behandeling stemden partijen in met de verwijzing. Daarnaast wees de rechtbank partijen erop dat zij in de vervolgprocedure niet verplicht zijn zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen en dat het reeds betaalde griffierecht zal worden verlaagd en terugbetaald.

De beschikking werd gegeven door rechter G.H. Marcus en op 11 december 2014 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kantonrechter voor verdere behandeling.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/570256 / HA RK 14-226
Beschikking van 11 december 2014
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VISION GALLERY B.V.,
gevestigd te Woerden,
verzoekster,
advocaat mr. W.M. Hes te Amsterdam,
tegen

1.[naam verweerder 1],

wonende te [woonplaats],
2.
[naam verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
verweerders,
advocaat mr. E.V. Jongepier te Amsterdam.
Partijen worden hierna Vision Gallery, [verweerder 1] en [verweerder 2] genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift, met producties, ingediend ter griffie op 7 augustus 2014;
  • het verweerschrift, met producties, ingediend ter griffie op 24 november 2014.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoek van Vision Gallery strekt er toe dat de rechtbank op grond van artikel 186 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen.
2.2.
Vision Gallery legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij gegronde redenen heeft te vermoeden dat twee voormalig werknemers - [verweerder 1] en [verweerder 2] - toerekenbaar tekort zijn geschoten in de verplichtingen uit de met hen gesloten arbeidsovereenkomst, dan wel dat zij onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vision Gallery. In het bijzonder zouden [verweerder 1] en [verweerder 2] non-concurrentiebepalingen en geheimhoudingsafspraken hebben geschonden. Vision Gallery houdt [verweerder 1] en [verweerder 2] dan ook aansprakelijk voor verbeurde boetes, dan wel voor de door hen geleden schade.
2.3.
Artikel 187 lid 1 Rv Pro bepaalt dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor wordt gedaan aan de rechter die bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen. Blijkens die bepaling wordt, indien de zaak bij de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, het verzoek gedaan aan de kantonrechter.
2.4.
Gelet op hetgeen Vision Gallery aan haar verzoek ten grondslag legt, zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven, is de rechtbank voorshands van oordeel dat de onderhavige zaak moet worden aangemerkt als een zaak die, onder andere een arbeidsovereenkomst betreft. Op grond van het bepaalde in de artikelen 93 aanhef en onder c en 94 lid 2 Rv is dan de kantonrechter de bevoegde rechter om de zaak te behandelen en te beslissen. Op de voet van artikel 71 lid 2 Rv Pro dient de zaak daarom te worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.
2.5.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank het voornemen de zaak naar de kamer voor kantonzaken te verwijzen aan partijen voorgelegd en hen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.
Partijen hebben verklaard in te stemmen met de verwijzing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar kamer voor kantonzaken van deze rechtbank,
3.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de voor de kantonrechter te voeren procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.3.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014. [1]

Voetnoten

1.*