ECLI:NL:RBAMS:2014:6971

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2014
Publicatiedatum
23 oktober 2014
Zaaknummer
C-13-568014 - HA ZA 14-657
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvVerdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart tussen Nederland en de Verenigde Staten van 27 maart 1956Artikel V lid 1 VerdragArtikel 5 protocol bij Verdrag
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zekerheidstelling proceskosten op grond van verdrag Nederland-VS

In deze civiele procedure vorderen de gedaagden dat eiser zekerheid stelt voor de proceskosten, omdat eiser geen woonplaats in Nederland heeft en artikel 224 Rv Pro dit voorschrijft. Eiser voert verweer dat hij onderdaan is van de Verenigde Staten en dat het Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart tussen Nederland en de VS van 27 maart 1956 een uitzondering op deze verplichting vormt.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel V lid 1 van het Verdrag en artikel 5 van Pro het bijbehorende protocol onderdanen van de Verenigde Staten zijn vrijgesteld van zekerheidstelling voor proceskosten in Nederland. Omdat vaststaat dat eiser onderdaan is van de VS, is de vordering van de gedaagden ongegrond.

De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de gedaagden in de proceskosten van het incident. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling in de hoofdzaak op 3 december 2014.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen wegens toepassing van het verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/568014 / HA ZA 14-657
Vonnis in incident van 22 oktober 2014
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn te Amsterdam,
tegen

1.[naam gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WANTED B.V.,
gevestigd te Beverwijk,
gedaagden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat mr. M.C.J. de Schepper te Eindhoven.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 24 juni 2014 met producties,
  • de incidentele conclusie tot stellen van zekerheid ex artikel 224 Rv Pro,
  • de conclusie van antwoord in incident met één productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[gedaagden] vorderen samengevat dat [eiser] zal worden veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten, met bepaling van het bedrag aan kosten op € 17.000,00, althans op een door de rechtbank te begroten bedrag. Zij stellen daartoe kort gezegd dat [eiser] geen woonplaats heeft in Nederland, zodat hij verplicht is om op grond van artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zekerheid te stellen voor de betaling van de mogelijk te betalen proceskosten, schade en daarover opkomende rente.
2.2.
[eiser] voert verweer. Hij doet primair een beroep op artikel 224 lid 2 sub a Rv Pro, waarin als uitzondering op de verplichting tot zekerheidsstelling uit het eerste lid van dat artikel staat genoemd:
indien dit voortvloeit uit een verdrag. [eiser] is woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika en zijn land heeft op 27 maart 1956 met Nederland het Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart (Trb. 1956, 40) gesloten (hierna: het Verdrag), waaruit voortvloeit dat de verplichting tot zekerheidsstelling niet voor hem geldt, aldus nog steeds [eiser].
2.3.
Het verweer van [eiser] slaagt. Uit artikel V lid 1 van het Verdrag,
in samenhang met artikel 5 van Pro het daarbij behorend protocol, vloeit voort dat onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland zullen zijn vrijgesteld van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Tussen partijen staat vast dat [eiser] onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika. Aldus zijn de bedoelde bepalingen van het Verdrag op de betrekkingen tussen partijen van toepassing. De incidentele vordering van [gedaagden] zal dan ook worden afgewezen.
2.4.
[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 452,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis in incident;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
3 december 2014voor conclusie van antwoord;
3.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014. [1]

Voetnoten

1.*