Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
REPUBLIEK SURINAME,
Rechtbank Amsterdam
De Republiek Suriname verzocht de rechtbank Amsterdam om de heropening van de vereffening van de Surinaamse Cultuur Maatschappij B.V. ongedaan te maken en subsidiar het ontslag van de vereffenaar [naam 1]. Dit verzoek volgde op het intrekken van de bevoegdheden van [naam 1] door een presidentieel besluit en vermeende onbevoegde verkoop van onroerende goederen.
De rechtbank oordeelde dat de Republiek Suriname niet-ontvankelijk was in haar verzoek tot ontslag van de vereffenaar op grond van artikel 2:23 lid 5 BW Pro, omdat zij niet tot de bevoegde verzoekers behoorde. De rechtbank onderzocht vervolgens of er gewichtige redenen waren voor ambtshalve ontslag van de vereffenaar.
Na een marginale toetsing concludeerde de rechtbank dat de vereffenaar zijn taak naar behoren vervulde, namelijk het voldoen van schuldeisers en de bestemming van het overschot aan de rechthebbende, de Republiek Suriname. Er was geen aanleiding om aan te nemen dat de vereffenaar zijn taak niet naar behoren vervulde.
De overige verzoeken van de Republiek Suriname hadden geen wettelijke grondslag. De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en wees het ontslag af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de Republiek Suriname niet-ontvankelijk in haar verzoek tot ontslag van de vereffenaar en ziet geen gewichtige redenen voor ambtshalve ontslag.