2.gegevens worden verstrekt over de aard en de uitkomst van bezwaar- en beroepsprocedures tegen de navorderingsaanslagen.
De raadsman acht dit nader onderzoek van belang omdat het voor de bewezenverklaring noodzakelijk is te weten in welke gevallen en ter zake van welk jaar en ter zake van welke aftrekposten er al dan niet door de Belastingdienst is nagevorderd, of er bezwaar is gemaakt tegen die aanslag, wat de uitkomst van de bezwaarschriftprocedure was en of er vervolgens beroep is ingesteld en welke beslissing de rechtbank uiteindelijk heeft genomen. De Belastingdienst heeft echter maar 116 van de 216 gevallen beter gekeken. In het kader van de strafmaat is het voorts van belang te weten wat exact de hoogte is van het financieel nadeel.
De raadsman acht de gegevens bovendien van belang om vast te kunnen stellen welk bedrag verdachte uiteindelijk met de beweerdelijk onjuiste aangiftes heeft verdiend. Als vast komt te staan dat een of meer aangiftes wel juist zijn gedaan, kan niet gezegd worden dat verdachte zijn verdiensten door middel van een misdrijf heeft verkregen.
De
officier van justitie, mr. H.J. Hart, heeft bij brieven van 10 en 14 januari 2014 haar reactie kenbaar gemaakt. De officier van justitie concludeert daarin dat het verzoek moet worden afgewezen omdat bij onderzoek van (afgerond) vijftig procent van de belastingplichtigen (104) in het geheel niet is vast gesteld dat er juiste aangiften zijn gedaan. Veel van de gevraagde informatie bevindt zich bovendien al in het dossier of is recent toegevoegd. Het uitzoeken van de ontbrekende gegevens is voor de Belastingdienst bovendien een tijdrovende aangelegenheid. Wel zal nader onderzoek worden gedaan naar de navorderingsprocedures met betrekking tot de 67 aangiften die in de tenlastelegging zijn genoemd.
De
rechter-commissarisheeft bij brief van 12 maart 2014 bericht dat zij ten aanzien van het onder 1. verzochte, van oordeel is dat voldoende aan de wens van de raadsman tegemoet is gekomen, nu is gebleken dat een groot deel van de nadere gegevens zich al in het dossier bevinden (D265a en D646).
Ten aanzien van het onder 2. verzochte, acht de rechter-commissaris dat het verstrekken van informatie over de navorderingsprocedures met betrekking tot alle 216 aangiften, niet aangewezen is, omdat met een geslaagde beroepsprocedure nog niet is vast komen te staan dat de aangiften juist zijn.
De rechter-commissaris heeft voorts overwogen dat een goed beeld kan worden geschetst van het potentieel nadeel als er informatie wordt gegeven van de 67 aangiften die in de tenlastelegging worden genoemd. Ten aanzien van deze 67 aangiften is het verzoek dan ook toegewezen en is aan het Openbaar Ministerie opgedragen nader onderzoek te doen naar uitkomsten van de bezwaar- en beroepschriftprocedures, de reden van toewijzing of afwijzen en de vraag of er correcties hebben plaatsgevonden.
-standpunten in raadkamer-
In raadkamer heeft de
raadsmannamens verdachte gepersisteerd in zijn verzoek en aangevoerd dat zolang de tenlastelegging ziet op 767 valse aangiftes, alle 767 aangiftes volledig onderzocht moeten worden. Het Openbaar Ministerie heeft hoog ingezet, en moet dus ook maar bewijzen dat het om zoveel valse aangiften gaat.
De
officier van justitieheeft verzocht het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Aan de hand van haar schriftelijke aantekeningen, welke in het dossier zijn gevoegd, heeft zij - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie zal te zijner tijd de rechtbank vragen de onjuistheid/valsheid van ‘een groot aantal’ aangiften bewezen te verklaren. Voor de bewezenverklaring is nader onderzoek naar alle aangiften daarom niet geïndiceerd. Ook ten aanzien van het bewijzen van witwassen geldt dat niet voor alle aangiften de onjuistheid/valsheid vast hoeft komen te staan. Inmiddels kan op basis van het huidige onderzoek, inclusief de brieven van 10 en 14 januari 2014 en de ambtsedige verklaring van de Belastingdienst van 17 december 2012 worden geconcludeerd dat ten aanzien van (afgerond) vijftig procent van de belastingplichtigen is vastgesteld dat er onjuiste aangiften zijn gedaan. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat van de 67 aangiften er 63 onjuist waren. Ook voor het bepalen van de strafmaat hoeft de exacte hoogte van het nadeel niet vast gesteld te worden.
Ten overvloede stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat door het handelen van verdachte reeds enorm beslag is gelegd op het ambtelijk apparaat van de Belastingdienst. De Belastingdienst nogmaals met een zeer arbeidsintensief nader onderzoek belasten, staat in geen verhouding tot de reeds geleden schade van de Belastingdienst en daarmee de gehele samenleving.
-overwegingen en conclusie-
Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en de rechtbank Amsterdam is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang van verdachte niet wordt geschaad indien de officier van justitie besluit geen verder onderzoek te doen en aldus geen verder belastend materiaal te vergaren. Dat in de visie van de verdediging onvoldoende bewijs voorhanden is voor een (volledige) bewezenverklaring op basis van bij handhaving van de tenlastelegging zoals die thans luidt, maakt niet dat in het huidig stadium van het onderzoek de officier van justitie ertoe kan worden gedwongen verder onderzoek te doen om dit ontbrekende bewijs alsnog te verzamelen. Het is in beginsel aan de officier van justitie om een afweging te maken ten aanzien van de opsporingsinspanningen om belastend materiaal te verzamelen en de daarmee gemoeide kosten en middelen. Die afweging acht de rechtbank in dit geval niet onredelijk. De verdediging zal te zijner tijd zal bij pleidooi uiteen kunnen zetten welke consequenties moeten worden verbonden aan de omvang van het beschikbare bewijsmateriaal. Mocht onvoldoende bewijs voorhanden zijn dan zal dat uiteindelijk in de beslissing van de rechtbank gevolgen hebben voor de bewezenverklaring.
De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris op goede gronden tot haar beslissing is gekomen, nu de gronden de beslissing kunnen dragen en op zichzelf deugdelijk zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het nader onderzoeken van alle in het dossier voorkomende aangiften niet noodzakelijkerwijs bijdragen aan enige in deze zaak te nemen beslissing, en is thans niet relevant in het kader van beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.
Het bezwaarschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.