ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0921
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- S.A. Krenning
- H.P. Kijlstra
- B. Poelert
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over rechtsmachtvereiste en discriminatie bij Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering op grond van artikel 23 van Pro de Overleveringswet, waarbij een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit België ter overlevering van een persoon werd voorgelegd. Tijdens de zitting bleek dat het onderzoek niet volledig was, met name met betrekking tot het rechtsmachtvereiste zoals bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW, en het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit.
De officier van justitie stelde dat Nederland geen rechtsmacht heeft over het strafbare feit uit het EAB, waardoor geen garantie vereist zou zijn. De raadsman benadrukte de langdurige verblijfsstatus van de opgeëiste persoon in Nederland. Gezien jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en het verbod van discriminatie, besloot de rechtbank ambtshalve nader onderzoek te verrichten.
De rechtbank verzocht de officier van justitie een inschatting te maken van de strafmaat naar Nederlandse maatstaven en deze aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) voor te leggen om te beoordelen of deze strafmaat het verblijfsrecht zou beëindigen. Tevens werd verzocht om een garantie van de uitvaardigende autoriteiten te verkrijgen.
De rechtbank schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd en stelt zowel officier van justitie als raadsman in de gelegenheid om hun standpunten bij een nader te bepalen zitting toe te lichten. De opgeëiste persoon zal worden opgeroepen voor deze zitting.
Deze tussenuitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing van het rechtsmachtvereiste en het voorkomen van discriminatie bij de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel.
Uitkomst: Onderzoek naar rechtsmachtvereiste en discriminatie wordt heropend en geschorst voor nader onderzoek.