ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0429

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13-524236-09 (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ouders in zaak van ernstig letsel bij baby door schudden

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 16 april 2013 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de ouders van een vierjarig meisje, dat als baby ernstig letsel had opgelopen. De ouders werden beschuldigd van poging tot doodslag en mishandeling van hun dochter, die op twee maanden leeftijd ernstig hersenletsel en botbreuken had opgelopen door schudden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het meisje, genaamd [A], op 5 januari 2009 in het ziekenhuis werd opgenomen met ernstige symptomen, waaronder een gezwollen fontanel en epileptische aanvallen. Deskundigen concludeerden dat het letsel het gevolg was van schudden, maar de rechtbank kon niet vaststellen wie van de ouders verantwoordelijk was voor het letsel, omdat beide ouders in de relevante periode alleen met het kind waren geweest.

De rechtbank heeft de rapporten van verschillende medische deskundigen in overweging genomen, die uiteenlopende meningen gaven over het tijdstip en de oorzaak van het letsel. De deskundigen waren het erover eens dat het letsel niet accidenteel was, maar de exacte timing en de verantwoordelijke persoon bleven onduidelijk. De rechtbank oordeelde dat, hoewel het letsel door menselijk handelen was veroorzaakt, niet overtuigend kon worden bewezen dat de verdachte, al dan niet in vereniging met de medeverdachte, schuldig was aan de mishandeling. Daarom werden de ouders vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

De uitspraak benadrukt de complexiteit van zaken van kindermishandeling, vooral wanneer het gaat om het vaststellen van de dader en het tijdstip van de mishandeling. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende bewijs was om de ouders te veroordelen, ondanks de ernstige gevolgen voor het kind.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/524236-09 (Promis)
Datum uitspraak: 16 april 2013
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [plaats] op [1983],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres], [postcode] te [plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 november 2012 en 2 april 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R. Lonterman naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december 2008 tot en met 05 januari 2009 te Huizen, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of haar medeverdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk [A] (geboren [2008], zijnde haar, verdachtes, dochter) van het leven te beroven,
(telkens) met dat opzet [A] (telkens) gewelddadig, althans ruw heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) hard/hevig en/of met kracht (door elkaar) heeft/hebben geschud;
subsidiair:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december 2008 tot en met 05 januari 2009 te Huizen, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, aan [A] (geboren [2009], zijnde haar, verdachtes, dochter) (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten schedel en/of hersentrauma en/of netvliesbloedingen (retinabloedingen) en/of
ribfracturen en/of metafysiare hoekfracturen en/of een polsfractuur (radiusfractuur/spaakbeenbreuk), heeft toegebracht, door voornoemde [A] (telkens) met dat opzet (telkens) gewelddadig, althans ruw vast te pakken en/of vast te houden en/of (vervolgens) hard/hevig en/of met kracht (door elkaar) te schudden;
meer subsidiair:
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december 2008 tot en met 05 januari 2009 te Huizen, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] (geboren 04 november 2008, zijnde haar, verdachtes, dochter) (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk
letsel toe te brengen, met dat opzet [A] (telkens) gewelddadig, althans ruw heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens) hard/hevig en/of met kracht (door elkaar) heeft/hebben geschud.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Vrijspraak
4.1. Inleiding
Verdachte en medeverdachte [B] zijn de ouders van de op [2008] geboren [A]. Op 30 december 2008 komen de ouders met [A] bij de huisarts, [C], omdat zij sinds twee dagen ontroostbaar huilde, vooral bij het van houding wisselen. Voorts had verdachte in de avond van 29 december 2012 een vlekje in het oog en een rood tongetje bij [A] ontdekt. [A] wordt door de huisarts onderzocht, waarbij blijkt dat [A] snel gaat huilen. De huisarts denkt op dat moment aan een darminfectie of darmkrampen en een gesprongen adertje in het oog. Zij geeft de ouders het advies om het nog even aan te zien en de volgende dag nog even te bellen. Op 5 januari 2009 vertrekt [B] rond 06.30-06.45i uur naar zijn werk. Verdachte belt die dag rond 15.00 naar de huisarts voor een telefonisch consult. De huisarts noteert "ging beter, vandaag weer slecht drinken en veel huilen". De huisarts adviseert het nog één dag aan te zien en om anders langs te komen. Later die dag rond 16.00 uur belt verdachte opnieuw naar de huisarts. Dit keer geeft zij aan de huisarts door dat de situatie van [A] is verslechterd. De huisarts noteert: "sinds 8 dagen huileriger, hangeriger, slechter drinken, erg wisselend, wel natte luiers, vooral kreunen bij aanraking, verluieren enzo, sinds telefonisch contact weinig reactie meer." De huisarts vertelt verdachte dat zij met [A] kan langskomen bij haar collega. Rond 17.00 uur arriveert eerst [B] in de praktijk en even later verdachte met [A]. De waarnemende huisarts [D] ziet een stil kreunend, apathisch kind, zonder ademhalingsproblemen, met een normale kleur en verwijst de ouders door naar het Tergooi-ziekenhuis om haar te laten onderzoeken door de kinderarts.
[A] arriveert rond 17.35 uur op de afdeling Spoedeisende hulp van het Tergooi-ziekenhuis. Bij een eerste lichamelijk onderzoek door dr. [E], arts-assistent, valt op dat zij een gezwollen fontanel heeft en epileptische trekkingen. Haar pupilreactie rechts is minder en ze staart. Ze wordt omschreven als een gestrest prikkelbaar kind. De eerste werkdiagnose van dr. [E] is meningitis. Zij acht de situatie alarmerend en waarschuwt meteen haar supervisor de kinderarts dr. [F]. Omdat door dr. [F] gedacht wordt aan een hersenvliesontsteking wordt een lumbaalpunctie bij [A] verricht zodat ter diagnosticing een bloedkweek kan worden gemaakt. [A] krijgt tevens valium toegediend om de epileptische stuipen en het smakken te doen verminderen. Na de lumbaal punctie gaat het even beter met [A]. Daarna verslechtert haar toestand snel. Zij krijgt opnieuw stuipen en de zuurstofverzadiging in het bloed daalt. [A] toont nauwelijks reactie op pijnprikkels en stopt met ademhalen. Er wordt door de kinderarts dr. [G] rond 21.00 uur begonnen met haar onder narcose te intuberen en een korte hartmassage te geven. De tweede keer slaagt de intubatie. Rond 22.30 uur wordt [A] overgeplaatst naar het AMC te Amsterdam. De voorlopige diagnose van het Tergooi-ziekenhuis luidde bacteriële meningitis en intracerebrale bloeding.
Bij opname in het AMC op 5 januari 2009 verkeert [A] in een status epilepticus. De neuroloog stelt rond 23.30 uur de differentiaaldiagnose posttraumatisch/stollingsstoornis/child battering. [A] heeft matig reagerende pupillen en een bolle fontanel. Zij moet beademd worden. Na onderzoek aan de hersenen op 6 januari worden beiderzijds subdurale bloedingen gezien (bloedingen/vochtophopingen tussen het harde hersenvlies van de hersenen) en tekenen van hersenischaemie (te weinig doorbloeding van de hersenen). Er wordt rekening mee gehouden dat zij op korte of langere termijn kan overlijden. Tevens worden bij radiologisch onderzoek op 7 januari diverse botfracturen ontdekt, te weten aan de ribben, armen en benen (een verse polsfractuur en meerdere metafysaire hoekfracturen). Door de oogarts worden zeer uitgebreide retinabloedingen gezien (uitgebreide bloedingen in beide ogen, zowel voor als in het netvlies). In het AMC wordt gedacht aan het 'shaken baby syndrome' als mogelijke toedracht van het letsel en er wordt op 7 januari een melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) in verband met niet verklaard letsel. [A] wordt later uit het AMC ontslagen en geplaatst in een pleeggezin. Op 22 januari wordt door het AMK aangifte gedaan van mishandeling van [A].
[A] heeft als gevolg van het hersenletsel ernstig verstandelijke en lichamelijke beperkingen. Zij functioneert thans, nu zij vier jaar oud is, (lichamelijk en geestelijk) op het niveau van een kind van maximaal 12 maanden. Onduidelijk is of zij ooit zal kunnen lopen of praten.
Naar de toedracht van het letsel van [A] is onderzoek gedaan door dr. [H], forensisch (kinder)geneeskundige en consulent forensische kindergeneeskunde van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Dr. [H] heeft op 27 januari 2010 een definitief deskundigenrapport Forensische Kindergeneeskundige uitgebracht. Tevens is, op verzoek van de raadsman van verdachte, onderzoek gedaan door prof. dr. [J], thans emeritus-hoogleraar en arts-neuroloog. [J] heeft op 19 april 2011 een rapport uitgebracht met zijn bevindingen. De inhoud van beide rapporten wordt hierna onder 4.4 bij het oordeel van de rechtbank weergegeven.
4.2. Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de rapportages van beide deskundigen en de door hen ter terechtzitting afgelegde verklaringen vaststaat dat sprake is van ernstige kindermishandeling, gezien de combinatie van de bij [A] geconstateerde letsels: de subdurale hematomen, het uitgebreide netvliesletsel, de polsbreuk en de metafysaire hoekfracturen. Om dit letsel te veroorzaken, moet er gedurende een aantal seconden fors geschud zijn. Degene die dit heeft gedaan, heeft willens en wetens de kans aanvaard dat [A] als gevolg hiervan zou kunnen komen te overlijden. Volgens de officier van justitie kan daarom gesproken worden van een poging tot doodslag. Er is sprake van voorwaardelijk opzet doordat de aanmerkelijke kans is aanvaard dat [A] zou komen te overlijden. Een val of ruw vastpakken kan volgens de deskundigen niet tot het geconstateerde zeer ernstige letsel hebben geleid. Op grond van de hoekfracturen komt de kindermishandeling naar voren. [A] was 2 maanden oud; er zijn 6 of 7 breuken aan de schouder, pols, ribben en benen. Voorts is sprake van ernstig hersenletsel. De kern van de zaak is echter door wie de mishandeling is gepleegd: door verdachte of medeverdachte [B]. Daarbij is de timing van het letsel van cruciaal belang.
Uit de rapportage van dr. [H] volgt dat de aangetroffen subdurale hematomen en de netvliesbloedingen van deze mate vrijwel direct leiden tot ernstige klinische verschijnselen volgend op het moment waarop er tot dan toe normaal is gefunctioneerd. Een en ander brengt met zich dat het letsel moet zijn toegebracht na het moment waarop [A] voor het laatst normaal functioneerde en dat was - volgens verdachte - in de loop van 5 januari 2009, na de laatste normaal verlopen voeding om 11.00 uur. Ook [B] heeft verklaard dat er nog niets aan de hand was met [A] toen hij op 5 januari naar zijn werk ging en dat zij nog gewoon aan de borst had gedronken. De officier van justitie ziet dan ook geen aanleiding om aan deze verklaring van verdachte te twijfelen. Weliswaar ging het de week ervoor ook al niet goed met [A], maar daarna ging het weer beter. De ouders hebben in hun gespreksverslag van 26 januari 2009 bovendien genuanceerd dat [A] die week ervoor een aantal dagen ontroostbaar was. Dat [A] die nacht van 4 op 5 januari voor het eerst had doorgeslapen, is verder niet ongewoon voor een baby van die leeftijd. Ook uit het rapport van prof. dr. [J] volgt dat het letsel op 5 januari 2009 kan zijn ontstaan. Weliswaar oppert prof. [J] tevens dat het letsel mogelijk eerder kan zijn toegebracht (en dat er sprake was van een zogenaamd sub-acuut hersentrauma in plaats van een acuut hersentrauma), maar het rapport van dr. [H] wordt door prof. [J] niet dusdanig weerlegd, dat de officier van justitie aan de conclusie van dr. [H] twijfelt. Prof. [J] heeft ter terechtzitting ook verklaard dat het kan zijn gegaan zoals dr. [H] omschrijft dat het is gegaan. De officier van justitie volgt dan ook de conclusie van dr. [H] dat het letsel op 5 januari 2009 na 11.00 uur moet zijn toegebracht. Nu verdachte op dat moment alleen was met [A] acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat zij verantwoordelijk is voor het toebrengen van het hersenletsel bij [A], met dien verstande dat gezien het rapport van dr. [H] niet met zekerheid vast te stellen is wie verantwoordelijk is voor de bij [A] aangetroffen breuken. De officier van justitie acht het verwerpelijk dat geen openheid van zaken wordt gegeven over wat zich precies heeft afgespeeld met betrekking tot de mishandeling van [A]. Zij houdt er bij de formulering van haar eis wel rekening mee dat het voor verdachte reeds een enorme straf is om te zien dat haar dochter zo beperkt functioneert. Bovendien is het feit inmiddels vijf jaar geleden gebeurd en verkeert verdachte sinds die tijd in onzekerheid over de juridische gevolgen van het incident. De officier acht gezien het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden op zijn plaats.
4.3. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het haar ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe in zijn pleitnota, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. De conclusie van dr. [H] is dat bij [A] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake is van een niet-accidenteel schedelhersentrauma, vermoedelijk op basis van een repeterend acceleratie-deceleratie trauma, bijvoorbeeld in de vorm van 'schudden' (het 'shaken baby syndrome'). De deskundige prof. dr. Van Nieuwenhuizen ondersteunt de deskundige dr. [H] hierin. De verdediging betwist deze conclusie niet, maar kan zich niet verenigen met de timing van het neurotrauma door dr. [H]. Volgens de raadsman biedt de rapportage van dr. [H] onvoldoende basis om te bepalen binnen welke tijdspanne dit trauma zou moeten zijn ontstaan. Dr. [H] stelt dat voor wat betreft het moment van ontstaan van het neurotrauma mag worden geconcludeerd dat een neurotrauma zoals vastgesteld is bij [A], direct leidt tot klinische verschijnselen. Op grond van een door verdachte zelf afgelegde verklaring meent dr. [H] vervolgens te kunnen concluderen dat [A] tot 5 januari 2009 om 11.00 uur normaal heeft gefunctioneerd en dat het letsel dus nadien moet zijn toegebracht, toen verdachte alleen was met [A]. De raadsman nuanceert de waarde die kan worden toegekend aan de eigen verklaring van verdachte dat [A] tot 5 januari 2009 om 11.00 uur nog normaal functioneerde. Deze moet ook worden gelezen in het licht van het destijds aan verdachte gesuggereerde verwijt dat zij te laat hulp zou hebben ingeroepen. Bovendien is het laatste moment waarop [A] 'normaal' functioneerde moeilijk vast te stellen. Volgens de verklaring van verdachte was [A] de hele week juist al rustiger dan normaal, nadat zij eerder ongebruikelijk veel had gehuild. In de nacht van 4 op 5 januari 2009 heeft zij voor het eerst doorgeslapen. Onduidelijk is of ze die ochtend wel zelf zou zijn gekomen voor haar voeding als de ouders haar niet wakker zouden hebben gemaakt. Verdachte heeft in haar verklaring ook nog melding gemaakt van het feit dat [A] na de voeding haar speen niet helemaal vacuüm zoog. De grootste blinde vlek van dr. [H] zit volgens de verdediging echter in de omstandigheid dat bij [A] niet alleen een paar dagen na de jaarwisseling, maar ook een paar dagen voor de jaarwisseling afwijkingen zijn geconstateerd. Verdachte is met [A] naar de huisarts gegaan, omdat ze zo huilerig was. [A] had toen ook een rood vlekje in haar oog en een rood tongetje. De huisarts dr. [C] zegt achteraf dat dit huilen mogelijk verklaard kan worden door het reeds dan al aanwezig zijn van een fractuur. Prof. [J] heeft ter terechtzitting zelfs aangeven dat de huilerigheid van [A] rond 28 en 30 december 2008 al te maken kan hebben gehad met de aanwezigheid van subdurale hematomen. Prof. [J] weet ook uit zijn praktijk voorbeelden waarbij de klinische verschijnselen van subdurale hematomen pas enige tijd na het schudden intreden.
Het is dan ook niet uit te sluiten dat het letsel bij [A] voor 5 januari 2009 om 11 uur is toegebracht, helemaal indien de klinische verschijnselen van [A] zijn verergerd door de ingetreden epilepsie en de lumbaal punctie. Op het moment dat [A] in het Tergooi-ziekenhuis arriveerde was er immers nog geen sprake van problemen op het gebied van de ademhaling. De trekkingen waren mild en de pupillen reageerden nog. Na de lumbaalpunctie is het klinische beeld van [A] veranderd en traden problemen op in de ademhaling en circulatie. Onduidelijk is in dit verband van welke klinische verschijnselen dr. [H] is uitgegaan om tot de conclusie te komen dat [A] kort daarvoor het neurotrauma is toegebracht. De verruiming van de tijdspanne zoals door prof. [J] wordt geschetst, laat de mogelijkheid open dat medeverdachte [B] verantwoordelijk is voor het letsel van [A]. Gelet op alles wat over hem bekend is geworden, acht de raadsman hem daartoe ook in staat. Uit het dossier komt een ontluisterend beeld naar voren van een zeer onbetrouwbaar persoon die geweld niet schuwt. [B] kan op zijn persoonlijkheid niet worden veroordeeld, maar de raadsman acht het op basis daarvan wel veel waarschijnlijker dat hij de dader is dan verdachte, die niets meer, maar zeker ook niets minder was dan een blije, zorgzame moeder, aldus steeds de raadsman.
4.4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.
Uit de conclusie van het rapport van dr. [H] van 27 januari 2010 volgt dat de combinatie van aangetroffen letsels bij [A] een duidelijke indicatie vormt voor een traumatische oorsprong. Aangezien een niet-accidentele oorzaak (zoals een aangeboren of verworven afwijking, een geboortetrauma of medisch handelen) en een accidentele oorzaak (bijvoorbeeld een val of een ongeluk) kunnen worden uitgesloten, is er volgens [H] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sprake van een niet-accidentele oorzaak op basis van menselijk handelen. Dr. [H] vermoedt op grond van de bevindingen op en na 5 januari 2009 dat sprake is van een 'dynamic impulse loading', een zogenaamd repeterend acceleratie-deceleratietrauma, bijvoorbeeld in de vorm van schudden (het 'shaken baby syndrome'). [H] maakt daarbij wel een uitzondering voor de aangetroffen ribfracturen, die volgens hem mogelijk verklaard kunnen worden door de reanimatie van [A].
Wat betreft de timing van het neurotrauma mag volgens [H] worden geconcludeerd dat een neurotrauma zoals dat is vastgesteld bij [A], direct leidt tot klinische verschijnselen. Na een incident dat aanleiding geeft tot afwijkingen zoals deze bij [A] zijn geconstateerd, treden de klinische verschijnselen volgens hem immers onmiddellijk na het ontstaan van het letsel op, ongeacht de aard en de context van het trauma. Dit betekent dat de bepaling van het tijdstip van het ontstaan van de klinische verschijnselen een duidelijke indicatie geeft over het moment van het ontstaan van de afwijkingen en daarmee voor het tijdstip van het incident. Dit was volgens de mededeling van verdachte op 5 januari 2009 rond 11.00 uur, toen [A] normaal wakker is geworden voor de voeding en waarna deze voeding volgens haar zonder problemen verliep. Volgens dr. [H] is het dan ook veel waarschijnlijker dat het trauma is ontstaan op 5 januari 2009 na de 2e voeding rond 10.00 of 11.00 uur dan ervoor. Met betrekking tot de timing van de fracturen concludeert dr. [H] dat de ribfracturen hoogst waarschijnlijk op of kort (maximaal enkele dagen) voor 5 januari 2009 zijn ontstaan en dat de polsfractuur is ontstaan op of voor 5 januari 2009, in de periode tussen Kerst en Oudjaar. Deze fractuur kan volgens dr. [H] mogelijk mede verantwoordelijk zijn voor de klachten die [A] op 28 of 29 december 2008 toonde. De metafysaire hoekfracturen zijn niet te dateren, omdat deze meestal geen callusvorming geven. Ook de retinabloedingen kunnen niet gedateerd worden bij dergelijk jonge kinderen. Dr. [H] heeft samenvattend ter terechtzitting uitdrukkelijk verklaard het uitgesloten te achten dat de verwondingen van [A] door een of andere andere oorzaak zijn ontstaan die niet te verenigen is met zijn conclusie dat sprake is van een traumatische oorzaak als in zijn rapport omschreven.
Prof. dr. [J] concludeert in zijn rapport van 19 april 2011 dat er zonder twijfel sprake is van een 'shaken baby syndroom', gezien de combinatie van subdurale hematomen, fracturen van de botten en uitgebreide retinabloedingen.
Met betrekking tot het tijdstip van het ontstaan van het neurotrauma acht prof. [J] van belang dat [A] volgens de aantekeningen van de huisarts reeds op 30 december 2008 een zieke indruk heeft gemaakt. Volgens hem zou het kunnen zijn dat de subdurale hematomen langer hebben bestaan en dat de plotselinge verslechtering op 5 januari 2009 te wijten zou kunnen zijn aan het optreden van een status epilepticus, veroorzaakt door de sterk verhoogde hersendruk als gevolg van de subdurale hematomen. Prof. [J] neemt aan dat bij aankomst in het Tergooi-ziekenhuis de bilaterale hematomen reeds aanwezig waren, gezien de toestand waarin [A] op dat moment verkeerde. De in het Tergooi-ziekenhuis uitgevoerde lumbaalpunctie kan wegens het veroorzaken van 'inklemming' van de hersenen, de kritieke situatie van [A] die op dat moment bestond wel verder hebben verergerd, aldus prof. Van Nieuwenhuizen.
De rechtbank is op grond van voornoemde rapporten van oordeel dat kan worden vastgesteld dat het ten laste gelegde menselijke handelen, te weten het hevig en met kracht heen en weer schudden van [A], de oorzaak is geweest van haar hersenletsel en de uitgebreide retinabloedingen. Dat het hersenletsel in het Tergooi-ziekenhuis mogelijk ernstiger is geworden ten gevolge van de lumbaal punctie, doet aan het voorgaande niet af. Beide deskundigen zijn het erover eens dat [A] bij binnenkomst in het Tergooi-ziekenhuis gezien haar toestand reeds ernstig hersenletsel moet hebben gehad. De lumbaalpunctie zou bovendien nooit zijn uitgevoerd indien bij binnenkomst in het ziekenhuis niet zou zijn gedacht aan een hersenvliesontsteking. Voor de aangetroffen metafysaire hoekbreuken geldt eveneens dat kan worden vastgesteld dat deze het gevolg zijn van de ten laste gelegde mishandeling. Met betrekking tot de ribfracturen en de polsbreuk staat dit naar het oordeel van de rechtbank niet vast. Hoewel onwaarschijnlijk is dat deze zijn veroorzaakt door de reanimatie van [A] en het inbrengen van het infuus, zoals door de ouders is geopperd, valt dit ook niet geheel uit te sluiten.
De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [B], degene is geweest die [A] met kracht heen en weer heeft geschud, met voornoemd letsel tot gevolg. De deskundigen zijn in hun rapportages verdeeld over het antwoord op de vraag wat de maximale periode is waarin de schadetoebrengende handeling moet hebben plaatsgevonden. Dr. [H] concludeert dat het schadetoebrengende handelen moet hebben plaatsgevonden kort voordat de klinische verschijnselen zich openbaarden. Prof. [J] geeft aan dat de mishandeling mogelijk ook enkele dagen eerder kan hebben plaatsgevonden.
Ter terechtzitting zijn de deskundigen nadere vragen gesteld over dit verschil van inzicht.
Prof. [J] heeft ter terechtzitting uiteengezet dat dr. [H] uit gaat van het bij [A] op 5 januari geconstateerde hersenletsel en daaruit (terugredenerend) concludeert dat het trauma kort daarvoor moet zijn toegebracht, omdat [A] eerder die dag volgens de moeder nog goed functioneerde en een incident dat aanleiding geeft tot dergelijk hersenletsel direct leidt tot klinische verschijnselen. Volgens prof. [J] kan - naar de rechtbank begrijpt - in die redenering door [H] te weinig betekenis zijn toegekend aan de rol van de ontstane epilepsie en de mogelijke verergering van het trauma van [A] door de op 5 januari uitgevoerde lumbaal punctie. Volgens prof. [J] is het scenario dat dr. [H] schetst en waarbij direct verschijnselen van de hematomen zichtbaar zijn, weliswaar heel wel mogelijk, maar is daarnaast ook een scenario denkbaar waarbij het schudincident reeds enkele dagen voor 5 januari 2009 heeft plaatsgevonden en waarna de druk in de hersenen langzaam is opgelopen. De overprikkelbaarheid van [A] kan volgens prof. [J] een aanwijzing zijn voor die verhoogde hersendruk. De schedel probeert steeds ruimte te maken. Doordat bij een baby de fontanellen nog niet gesloten zijn, heeft het brein eerst enige speling om deze verhoogde druk op te vangen (een zogenaamde subacuut hematoom). Op een gegeven moment kan de druk toch te hoog zijn geworden, als gevolg waarvan de epilepsie kan zijn ingetreden. Voor een brein dat wegens drukverhoging al in moeilijkheden verkeert, kan deze epilepsie zorgen voor een acute verslechtering van de toestand, waardoor deze op 5 januari zo kritiek is geworden. Deze situatie kan vervolgens nog verder zijn verslechterd door inklemming van de hersenen als gevolg van de lumbaalpunctie. Nu inklemming reversibel kan zijn, kan het zijn dat deze niet is waargenomen door de radioloog. Wat precies de restschade is van de hematomen en de eventuele aanvullende schade van een (reversibele) inklemming is volgens prof. [J] moeilijk te onderscheiden. Prof. [J] heeft verder verklaard in zijn praktijk kinderen te hebben gezien, waarbij een duidelijk moment van schudden was aan te wijzen, terwijl de klinische verschijnselen pas later kwamen. Indien er niet alleen sprake is van een bloedschil, maar tevens sprake is van een directe kwetsing van de hersenen dan ontstaan de klinische verschijnselen direct. Als er alleen sprake is van kleine lekkages, dan kan dat langer duren. In dit verband heeft Prof. [J] nog opgemerkt dat op de MRI bij [A] bloedingen van verschillende data zijn gezien. Het exact dateren van de bloedingen wordt wel gedaan, maar is gevaarlijk omdat hier gemakkelijk fouten mee kunnen worden gemaakt. Prof. [J] maakt uit het dossier in ieder geval niet op dat direct onder de hematomen uitgebreide hersenschade is ontstaan. Dat zou volgens hem wel te verwachten zijn geweest indien de hematomen direct tot uitgebreide hersenschade hadden geleid. Verder is er schade te zien door zuurstofgebrek, hetgeen kan zijn gekomen door de epilepsie of de inklemming. Dat [A] in de ochtend van 5 januari 2009 nog gewoon heeft gedronken zonder te spugen, sluit evenmin uit dat er op dat moment al subdurale hematomen waren, aldus [J]. Ten slotte heeft prof. [J] nog opgemerkt dat een aangeboren epilepsie op zichzelf ook oorzaak kan zijn van dezelfde klinische hersenverschijnselen als bij [A] geconstateerd maar dat dit in het onderhavige geval uitgesloten moet worden geacht.
Dr. [H] heeft, geconfronteerd met de visie van prof. [J] verklaard dat hij niet eerder kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het rapport van prof. [J]. Volgens dr. [H] hoeft een subduraal hematoom inderdaad niet tot onmiddellijke verschijnselen te leiden. Of dit het geval is, hangt af van het incident waar de hematomen aan gekoppeld zijn. Na een trauma kan de druk in de hersenen oplopen en dat veroorzaakt de klinische verschijnselen. De subdurale hematomen zelf hoeven niet te leiden tot de klinische verschijnselen wanneer er sprake was van een dun laagje bloed. Van belang is echter ook het effect van het incident zelf op het hersenweefsel. De beschadiging aan het hersenweefsel van [A] komt door zuurstofgebrek en dat zuurstofgebrek kan zijn ontstaan door de zwellingen of het stoppen met ademhalen. Vast staat dat de bloedingen in het hersenweefsel van [A] door trauma zijn ontstaan. Bij een schudtrauma hoeft er geen sprake te zijn van een witte stof bloeding. Gezien de ernst van de bij [A] gevonden hersenbeschadiging, zal er na de beschadiging geen sprake meer zijn geweest van normaal functioneren. Er was volgens dr. [H] met andere woorden sprake van een acuut beeld bij [A]. Bij de subacute hersenbeschadiging die prof. [J] beschrijft, zijn er in eerste instantie geen verschijnselen, maar dat beeld laat meestal geen coma of status epilepticus zien, aldus dr. [H]. Het beeld van een langzaam oplopende druk uitmondend in een coma of status epilepticus, herkent dr. [H] niet vanuit de literatuur of casuïstiek. Kinderen bij wie sprake is van een subacuut hematoom, verslechteren nooit zo extreem als [A] deed. Dat [A] voor 5 januari 2009 al huileriger was, kan volgens dr. [H] komen door breuken die reeds eerder aanwezig waren. Dit is geen indicatie voor hersenletsel. Het apathisch zijn op 5 januari 2009 kan wel een eerste verschijnsel zijn van een neurotrauma. Dr. [H] is het eens met prof. [J] dat de lumbaalpunctie in de toestand van [A] beter achterwege gelaten had kunnen worden. De daarna ontstane ademstilstand pleit er inderdaad voor dat sprake is geweest van inklemming, maar dr. [H] tekent daarbij aan dat ook daarvoor de toestand van [A] al heel slecht was. Het is volgens dr. [H] correct dat het zuigen bij kleine baby's een primitieve reflex is en dat kinderen met hersenschade nog kunnen drinken. Kinderen met het type hersenschade dat bij [A] is aangetroffen kunnen dat echter niet. Die worden misselijk en gaan overgeven. Dat bij [A] sprake was van uitgebreide retinabloedingen, duidt volgens dr. [H] ten slotte ook op een ernstig geval. Dr. [H] concludeert dat het veel waarschijnlijker is dat het letsel is ontstaan na het laatste normale functioneren dan ervoor.
Op grond van de voormelde conclusies van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat bij de exacte timing waarop het letsel is toegebracht vraagtekens kunnen worden geplaatst. Niet kan worden uitgesloten dat het letsel al aan [A] was toegebracht, voordat medeverdachte [B] op 5 januari 2009 naar zijn werk vertrok. Evenmin kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat het letsel die dag door verdachte is toegebracht op het moment dat zij alleen thuis was met [A]. Bovendien maakt dr. [H] voor de bepaling van het tijdstip dat [A] voor het laatst normaal functioneerde, het voorbehoud dat dit tijdstip is gebaseerd op de verklaring van de ouders. Dit moment is niet door een onafhankelijke buitenstaander bevestigd. Wel staat vast dat [A] in de week daarvoor al erg veel huilde en niet goed op aanrakingen reageerde. Een en ander laat - naast de mogelijkheid dat verdachte verantwoordelijk is voor het toegebrachte letsel - de mogelijkheid open dat [B] op enig moment, alleen of tezamen met verdachte, hiervoor verantwoordelijk is geweest.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat op grond van beide rapporten en de toelichtingen daarop ter terechtzitting weliswaar kan worden vastgesteld dat het ten laste gelegde menselijke handelen, te weten het hevig met kracht heen en weer schudden van [A], de oorzaak is geweest van het hersenletsel, de uitgebreide retinabloedingen en de metafysaire hoekfracturen, maar dat op grond van de rapportages en de toelichtingen niet kan worden vastgesteld wie van beide ouders dan wel beide ouders tezamen verantwoordelijk is of zijn voor het toegebrachte letsel.
Ook uit de overige inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen kan niet met zekerheid worden afgeleid wie van de ouders verantwoordelijk is voor het aan [A] toegebrachte letsel. De ouders geven in hun verklaringen aan inmiddels te beseffen dat één van hen [A] moet hebben geschud, maar ontkennen beide zelf verantwoordelijk te zijn voor de mishandeling. Ook ontkennen ze beide wetenschap te hebben van mishandeling van [A] door de andere ouder.
Het voorgaande brengt met zich dat - hoewel de rechtbank bewezen acht dat [A]'s letsel is veroorzaakt door haar hevig en met kracht te schudden - niet overtuigend bewezen kan worden dat verdachte - al dan niet in vereniging met [B] - schuldig is aan het schudden van [A]. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het haar primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Verklaart het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. P. Sloot en P. Rodenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Neve, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 april 2013.
i Pleitnota [B]. Dr. [H] noemt tussen 06.00 en 06.45 uur.
??
??
??
??
Parketnummer: 13/524236-09 (Promis) Vonnis: 16 april 2013
Inzake: [verdachte]
9
10