ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9386
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betwisting klantenvergoeding en provisie bij beëindiging agentuurovereenkomst tussen Nederlandse handelsagent en Duitse principaal
De zaak betreft een civiel geschil tussen een Nederlandse handelsagent en de Duitse vennootschap Quinn over de berekening en betaling van klantenvergoeding en provisie na beëindiging van hun agentuurovereenkomst per 31 december 2010.
De handelsagent vordert betaling van klantenvergoeding, provisie over voorbereide orders en openstaande debiteuren, alsmede incassokosten en rente. Quinn betwist de vorderingen en stelt dat een deel van de klantenvergoeding reeds is betaald via een afwijkende regeling in de agentuurovereenkomst, die een provisie van 18% omvat waarvan 1,8% als vooruitbetaalde klantenvergoeding geldt. Quinn vordert in reconventie terugbetaling van teveel betaalde klantenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat Nederlands recht van toepassing is en dat de afwijkende regeling in de agentuurovereenkomst vernietigbaar kan zijn indien deze nadelig is voor de handelsagent. De berekening van de klantenvergoeding moet plaatsvinden conform artikel 7:442 BW Pro en de Europese Agentuurrichtlijn, waarbij de periode 2006-2010 als uitgangspunt wordt genomen. De rechtbank constateert dat onvoldoende feiten en bewijs zijn aangeleverd om definitief te beslissen en gelast een comparitie van partijen voor nadere inlichtingen en het beproeven van een schikking.
De zaak wordt aangehouden tot na de comparitie, waarbij partijen hun beschikbaarheid moeten opgeven. De rechtbank wijst op de noodzaak van een gedetailleerde facturatie en specificatie van provisie en klantenlijsten. De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van de toepasselijke wet- en regelgeving, de uitleg van de agentuurovereenkomst en de berekeningsmethodiek van de klantenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank gelast een comparitie van partijen voor nadere inlichtingen en houdt de zaak aan.