ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9342
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak medeplegen poging brandstichting wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte wegens medeplegen van poging tot brandstichting in een woning te Huissen op 4 mei 2009. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen brand te hebben gesticht met het oog op verzekeringsgeld. Het Openbaar Ministerie baseerde zich onder meer op verklaringen van kroongetuige [A], een opgenomen gesprek tussen medeverdachten en diverse ondersteunende feiten.
De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van een met kroongetuige [A] gesloten afspraak op grond van artikel 226g Sv en concludeerde dat deze rechtmatig was, gezien de ernst van de feiten en de noodzaak van de verklaringen voor vervolging van andere verdachten. De verklaringen van [A] werden kritisch maar grotendeels betrouwbaar bevonden, mede door bevestiging uit andere bronnen.
Het bewijs toonde aan dat de opdracht tot brandstichting door medeverdachte [D] was gegeven, met aanwijzingen dat verdachte via tussenpersoon [F] de opdracht zou hebben verstrekt. Verdachte had een financieel motief vanwege de hoge herbouwwaarde van het pand en de weigering van zijn vrouw om er te wonen. De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was voor actieve betrokkenheid van verdachte en dat het motief kunstmatig was.
De rechtbank oordeelde dat hoewel aanwijzingen bestonden voor een rol van verdachte bij het geven van de opdracht, het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat verdachte een uitvoeringshandeling had verricht of actief betrokken was bij de planning. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist, die niet kon worden vastgesteld. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen poging brandstichting.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen poging tot brandstichting wegens onvoldoende bewijs voor uitvoeringshandeling of actieve planning.